Oncologie
De oncologie is de tak van de geneeskunde die zich bezighoudt met het opsporen en behandelen van tumoren.
In onze kliniek is er naast de diagnose (bvb. door het nemen van biopten) en de chirurgie (het verwijderen van tumoren), ook de mogelijkheid voor chemotherapie. Deze behandeling werkt aanvullend op alle andere therapieën en heeft tot doel het leven van een dier te verlengen en de kwaliteit ervan te verbeteren.
Inleiding
'Cancer. The word is as dark and empty as the disease it defines. A diagnosis of cancer often brings with it feelings of overwhelming fear, a spiralling sense of loss of control, and, most devastating of all, the loss of hope. The beacon of light one must carry to defeat the darkness of cancer is knowledge.' Citaat G. K. Ogilvie, DVM
In onze westerse wereld die wordt gekenmerkt door technologische vooruitgang, individualisme en eenzaamheid, zijn onze huisdieren een steeds belangrijkere rol gaan spelen in onze levens. Bij hen vinden wij de geborgenheid, onvoorwaardelijke vriendschap, liefde en gezelschap terug van weleer. Steeds meer huisdiereneigenaren beschouwen hun huisdier dan ook als een volwaardig lid van hun gezin, die ook recht heeft op de beste medische zorgen.
Veel mensen zijn bereid tot (vaak grote) financiële uitgaven om hun dier met kanker te genezen met uitgebreide oncologische behandelingen. Als genezing niet haalbaar blijkt, is het krijgen van een gehele of gedeeltelijke remissie van de tumor (met de daarbij behorende best mogelijke kwaliteit van het nog resterende leven) in een groot aantallen gevallen een volledig geaccepteerd alternatief.
Doordat onze huisdieren genieten van een betere voeding, een betere preventieve gezondheidszorg, vooruitgangen in de diergeneeskunde en nauwere gezinsrelaties, worden ze steeds ouder. Met een langer leven gaan ouderdomsziekten gepaard, zoals hart- en nierfalen en kanker. Er wordt geschat dat 1 op 4 honden en 1 op 6 katten een tumor zal ontwikkelen in de loop van zijn leven en dat ongeveer 50% van honden ouder dan 10 jaar zal sterven aan kanker (of problemen veroorzaakt door kanker).
Bij dierenkliniek Randstad begrijpen en respecteren wij de unieke band die u met uw geliefde huisdier deelt. Door dit respect bedrijven wij de diergeneeskundige oncologie vanuit ons hart en ondersteunen deze met wetenschappelijke kennis: 'compassionate care'. Wij hopen dat al uw vragen beantwoord worden bij het lezen van deze web-pagina's. Indien u daarna nog met vragen zit, neemt u dan gerust contact met ons op.
'De gevaarlijkste uitspraak door een dierenarts, na het vaststellen van een dikte bij uw dier is: Afwachten of het groeit en verder niets doen' Citaat J.P. de Vos, DVM
Wat is kanker?
Elke dag delen er cellen in ons lichaam. Oude, dysfunctionele cellen worden vervangen door jonge, goed werkende cellen. Deze celgroei wordt door verschillende mechanismen in ons lichaam streng gecontroleerd en iedere cel zal vroeg of laat een voorgeprogrammeerde celdood ondergaan.
Door veranderingen in het DNA (genmutaties) kunnen cellen tumoraal worden: er vormen zich groepjes abnormale cellen (tumor). De ontwikkeling van een tumor gaat doorheen verschillende fases.
Niet alle tumoren zijn kwaadaardig. Goedaardige (beninge) tumoren zijn groepen abnormale cellen die het omliggende weefsel niet binnendringen en zich niet verspreiden in tegenstelling tot kwaadaardige (maligne) tumoren.
Verschillen tussen goedaardige en kwaadaardige tumoren worden in de volgende tabel uitgewerkt:
Kanker, tumor, neoplasie en maligniteit zijn verschillende termen voor dezelfde ziekte.
De Veterinary Cancer Society (www.vetcancersociety.org) heeft een lijst opgesteld met de 10 meest voorkomende klachten die kunnen wijzen op de aanwezigheid van kanker bij een dier:
- abnormale zwellingen die niet verdwijnen of groter worden
- zweren die niet genezen
- gewichtsverlies
- verlies van eetlust
- bloedverlies of andere uitvloeiingen uit lichaamsopeningen
- verspreiding van een onaangename geur
- problemen met eten of slikken
- geen zin om te gaan wandelen, spelen of een verminderd uithoudingsvermogen
- aanhoudende kreupelheid of stijfheid
- problemen met ademhalen, urineren of ontlasten
Wat zijn de oorzaken van kanker?
Van de meeste tumoren is niet geweten wat de oorzaak is. In tegenstelling tot bij de mens is er nog niet veel onderzoek gedaan op dit gebied.
Er zijn verschillende factoren mogelijk die een wijziging in het DNA veroorzaken:
- Niet-erfelijke factoren Infectieuze (virussen, bacteriën, parasieten)
Biologische (UV-licht, straling, hormonen...)
Chemische - Erfelijke factoren
Virussen kunnen kankerverwekkers zijn door een direct effect: zij kunnen zich bijv. inplanteren in het DNA van de gastheer en zorgen voor een activatie van zgn. oncogenen (bijv. FeLV-virus). Zij kunnen echter ook op een indirecte manier hun effect bereiken: bijv. door een immunosuppressie (FIV-virus).
-
Feliene Leukemie Virus (FeLV): Hematopoiëtische tumoren zijn de meest voorkomende tumoren bij de kat. Ze zijn verantwoordelijk voor ongeveer 30-40% van alle tumoren. Dit cijfer is direct gerelateerd aan de prevalentie van FeLV in de populatie. FeLV wordt meestal geassocieerd met maligne lymfoma en met leukemie. Belangrijk is te weten dat dieren met deze tumoren niet altijd besmet zijn met FeLV:
-
Mediastinale vorm: 80% positief
-
Multicentrische vorm: 60% positief
-
Gastro-intestinale vorm: 30% positief
-
-
De voornaamste bron van infectie zijn de viraemische katten, die het virus continu uitscheiden via hun speeksel: de verspreiding gebeurt dan ook door intiem (sociaal) contact. De verspreiding kan ook aangeboren zijn via een geïnfecteerde kattin die de ziekte doorgeeft aan haar kittens. In de eerste weken na infectie, zullen de interacties tussen het virus en het immuunsysteem van de gastheer, de uitkomst bepalen: persisterende virale infectie, latente infectie of immuniteit. Het zijn de katten met een persisterende infectie die later FeLV-geassocieerde ziekten (tumoren) ontwikkelen.
-
Feliene Immunodeficiëntie Virus (FIV): Dit virus wordt vooral geassocieerd met maligne lymfoma bij de kat. Zij bereiken hun carcinogeen (kankerverwekkend) effect vooral op een indirect manier door onderdrukking van het immuunsysteem.
-
Papillomavirussen: Deze virussen komen bij vele diersoorten voor (rundvee, paarden, honden) en veroorzaken papilloma's ("wratten").
Over het algemeen zijn deze papilloma's goedaardig: het afweersysteem van het dier overwint het virus en de papilloma's verdwijnen spontaan over een periode van ongeveer 6 maanden. Het meest worden ze gezien bij jonge dieren.
Chemische carcinogenen
Bij de mens is dit een goed gedocumenteerde groep van carcinogenen (kankerverwekkers). Iedereen kent de gevolgen van o.a. asbest en sigarettenrook. In de diergeneeskunde is hier nog maar weinig onderzoek naar verricht.
Enkele voorbeelden die we kunnen vermelden:
Er zou een verband zijn tussen maligne lymfoma bij de hond en het gebruik van de herbicide 2,4D
Recent onderzoek wijst ook op het effect van sigarettenrook en nicotine op het ontwikkelen van (gastro-intestinaal) lymfoma bij de kat.
Bestraling en UV-licht
Straling is een bekend carcinogeen bij zowel de mens als dier. Stralen kunnen door een direct effect DNA beschadigen of indirect werken door de produktie van vrije radicalen.
Enkele voorbeelden:
Plaveiselcarcinoom bij de kat op de oorranden, neusspiegel en ooglidranden: dit komt vooral bij licht gepigmenteerde en weinig behaarde katten. Door chronische blootstelling aan (fel) zonlicht ontwikkelen zij op deze plaatsen een chronische inflammatoire dermatitis dat zich in de loop van de tijd verder ontwikkelt tot een tumor.
Op een oude bestralingsplaats kan zich na enkele jaren een andere tumor ontwikkelen.
Hormonen
Vooral de geslachtshormonen spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van tumoren bij hond en kat. Enkele voorbeelden:
- Door oestrogenen bij de teef kunnen goedaardige vaginale fibroma's ontwikkelen
- Een vroegtijdige sterilisatie beschermt tegen de ontwikkeling van borstkanker.
- Vroegtijdige castratie verhoogt het risico op prostaatkanker, terwijl niet castreren (uiteraard) meer risico geeft op teelbalkanker.
Erfelijke factoren
Bij de mens is dit voor bepaalde tumoren goed gedocumenteerd in tegenstelling tot onze huisdieren.
Wel hebben bepaalde rassen een uitgesproken aanleg voor bepaalde tumoren (bijv. Boxers, Bull Mastiffs, Labradors, Flat-Coated Retrievers, Berner Sennenhund, Schotse Terriërs, Duitse Herders) en dus kan een erfelijkheidsfactor vermoed worden.
Welke onderzoeken moeten worden uitgevoerd?
Deze fase noemen wij het 'stageren': hierbij bepalen wij niet alleen de omvang en lokalisatie van de tumor, maar zoeken wij ook naar uitzaaiingen (metastasen) in lymfeklieren, longen en andere inwendige organen en naar para-neoplastische syndromen (dit zijn bijkomende lichamelijke klachten die veroorzaakt worden door de tumor, bijv. een te hoog calciumgehalte in het bloed of bloedarmoede).
Bovendien kijken we of uw dier geen andere ziektes heeft (die eventueel ernstiger zijn de tumor zelf), zoals diabetes, hart- en nierfalen, AIDS enz.
Pas als alle gegevens verzameld zijn, kunnen de beste behandelingsmogelijkheden gegeven worden die het best passen bij uw dier en zijn ziekte.
Vooral deze fase kost veel tijd (en soms ook geld): dit wordt gedaan om teleurstelling achteraf door te haastig te werk gaan te vermijden. Vergelijk dit met geblinddoekt op een autosnelweg rijden: daar komen ongelukken van. Dus voor de veiligheid doe je je blinddoek af en doe je je autogordel aan.
Belangrijk is te beseffen dat ondanks de meest moderne onderzoektechnieken, het niet altijd mogelijk is om zeer kleine uitzaaiingen op te sporen. Hierdoor kan de ziekte van uw dier dat aanvankelijk gunstig leek, plots een ongunstige wending nemen.
De mogelijke onderzoeken die voorgesteld kunnen worden zijn:
- Algemeen klinisch onderzoek
- Echografie
- Endoscopie
- Radiografie
- Aspiratie
- biopsie (tumor, lymfeklieren, long, lever, milt)
- Bloedonderzoek
- Beenmergpunktie
- CT-scan
- MRI " Scintigrafie
Hoe uitgebreid deze onderzoeken zijn, wordt bepaald door (het biologische gedrag van) de tumor, bijvoorbeeld:
- Mastceltumoren: punktie / biopsie tumor, punktie regionale lymfeklieren, echografie (en evt punktie) lever en milt
- Plaveiselcarcinoom neusspiegel kat: deze tumor is heel kwaadaardig maar uitzaaiingen zijn zeldzaam of komen pas veel later voor: punktie lymfeklieren en radiografie longen (deze zullen zelden dus metastasen aantonen)
- Osteosarcoom: punktie regionale lymfeklieren, radiografie longen en andere beenderen (kan ook gebeuren door scinitgrafie) en bloed
- Maligne lymfoma: biopt lymfeklieren, echografie (en evt punktie) lever, milt, radiografie longen, beenmergpunktie en bloed
A. Algemeen klinisch onderzoek
Dit is meestal het eerste contact tussen u, uw dier en de dierenarts.
Er zullen dan allerlei vragen aan u gesteld worden om ons een idee te geven over de tumor en de algemene gezondheidstoestand van uw dier, bijvoorbeeld: hoe is de eetlust, drinkt en plast hij meer dan vroeger, braakt hij, heeft hij diarree, denkt u dat hij pijn heeft, mankt hij, heeft hij een opgezette buik, hoe is zijn ademhaling, hoest hij, hoe is zijn uithoudingsvermogen, is er sprake van niezen, heeft u bloedverlies opgemerkt, is hij wel eens flauwgevallen, hoe lang zit het gezwel er al, groeit het snel, is uw dier gesteriliseerd / gecastreerd, heeft zij ooit de prikpil gekregen? etc.
Daarna wordt uw dier volledig onderzocht: kleur van de slijmvliezen, ogen, grootte van de lymfeklieren, het hart wordt beluisterd (hartauscultatie), de longen worden beluisterd (longauscultatie), de buik wordt afgestast (buikpalpatie) en de tumor wordt geëvalueerd en opgemeten (grootte, stevigheid, beweeglijkheid, vastzittendheid)
Dit onderzoek moet systematisch gedaan om elke abnormaliteit, al dan niet gerelateerd aan de tumor, in het lichaam te ontdekken. Dit onderzoek wordt uitgevoerd met minimaal ongemak voor uw dier
B. Echografie
Bij dit onderzoek wordt met een toestel gewerkt, dat geluidsgolven uitzendt. De geluidsgolven worden via een sonde uitgezonden en de golven weerkaatsen op de verschillende oppervlakken van de inwendige organen. De mate van terugkaatsing wordt geregisteerd in het toestel en omgezet in een zwart-wit beeld. De meeste mensen kennen het echografie toestel vanuit de gynaecologie: hiermee worden de embryo's van zwangere vrouwen nagekeken.
Bij het stageren gebruiken wij de echo vooral om in de buik te kijken:
- Is er vocht, bloed of etter aanwezig in de buik?
- Zijn de lever en milt vergroot?
- Zijn er uitzaaiingen in de lever/milt/lymfeklieren zichtbaar?
- In geval van een tumor in de buik: is de oorsprong te achterhalen en hoe groot is het?
Echografie wordt soms ook op het hart gebruikt om de hartfunktie te beoordelen. Dit kan noodzakelijk zijn als er tijdens het algemeen klinisch onderzoek een bijgeruis of aritmie gehoord werd, of als er met bepaalde chemotherapeutica gewerkt gaat worden.
Meestal kan dit onderzoek zonder verdoving plaats vinden. Soms kan het echter nodig zijn om een dier lichtjes te sederen.
C. Endoscopie
Een endoscoop is een toestel dat bestaat uit een lange, dunne flexibele slang met aan de binnenzijde glasvezelkabels: via deze kabels kan een videobeeld zichtbaar gemaakt worden op een beeldscherm.
Dit onderzoek wordt gebruikt om via lichaamsopeningen te gaan kijken binnenin en om eventueel via deze weg biopten te nemen. Het dier wordt hiervoor echter wel onder volledige verdoving gebracht.
Dit toestel gebruiken we voor onderzoek van o.a. neusgang, maag en darmen, dikke darm, urineblaas, longen en oren.
D. Radiografie
Hierbij worden röntgenstralen door uw dier gebracht en deze worden op een gevoelige film vastgelegd. Dit levert een foto op in zwart-wit en grijze tinten.
Röntgenfoto's worden genomen van o.a. de longen (meestal in drie richtingen om te zoeken naar metastasen) en van bot (bijv. een bottumor, of een uitzaaiing in het bot)
E. Bloedonderzoek
Een eerste bloedonderzoek wordt gedaan om de funktie van het beenmerg te beoordelen, er wordt gekeken naar het calciumgehalte (veel kwaadaardige tumoren zorgen ervoor dat kalk aan het bot wordt onttrokken en een te hoog gehalte aan calcium in het bloed kan zorgen voor krampen in spieren, hartritmestoornissen en schade aan de nieren), er wordt gekeken naar de lever- en nierfunktie. Bij katten worden ook de retrovirussen (FIV en FeLV) uitgesloten.
Bovendien wordt een bloedonderzoek vóór elke chemo herhaald om de funktie van het beenmerg te controleren.
F. Beenmergpunktie
Hierbij wordt een grote, dikke naald tot in het bot gebracht en wordt een deel van het merg eruitgezogen: dit wordt op een glaasjes aangebracht en opgestuurd naar een labo.
De beoordeling van het beenmerg is belangrijk om het stadium van de ziekte te bepalen (veel tumoren zaaien in een eindfase uit naar het beenmerg). Ook kan een beenmergpunktie essentieel zijn om bepaalde beenmergtumoren (vroegtijdig) te diagnosticeren.
G. CT-scan / MRI
Bij een CT-scan worden dmv computertechnologie en röntgenstralen dwarsdoorsneden gemaakt van het lichaam: zo kan gekeken worden hoe uitgebreid een tumor is en of het in de omliggende weefsels groeit (bijvoorbeeld een fibrosarcoom bij de kat). Deze techniek is zeer geschikt voor het analyseren van beenderige strukturen en weke delen. Bovendien is deze techniek noodzakelijk om bepaalde tumoren zichtbaar te maken, bijv. hersentumoren en voor tumoren op moeilijk te bereiken plaatsen (bijv. in longen of bekkenholte)
Bij Magnetic resonance imaging (MRI) worden radiogolven en een sterk magnetisch veld gebruikt ipv röntgenstralen. Deze techniek is meer geschikt voor tumoren in weke delen en hersenen.
Deze onderzoeken gebeuren (na doorverwijzing) aan de Universiteit van Gent, dienst Medische Beeldvorming door dr. Ingrid Gielen.
H. Scinitigrafie
Bij dit onderzoek wordt een kleine hoeveelheid van een radio-actieve stof bij uw dier ingebracht. De radio-actieve stof is niet gevaarlijk. De gebruikte radioactiviviteit ligt in de orde van grootte van de klassieke radiologische onderzoeken, met dit verschil, dat door middel van één enkel onderzoek vaak het ganse lichaam zonder bijkomende stralingsbelasting in 20 tot 30 minuten kan onderzocht worden. De radioactieve stof in het lichaam zendt straling uit die met behulp van een speciale camera (scintillatie-camera of gamma-camera) gemeten kan worden.
Deze techniek is dus heel goed om metastasen op te sporen. Bovendien kan het gebruikt worden bij katten met een overactieve schildklier (zowel diagnostisch als therapeutisch).
Dit onderzoek gebeurt (na doorverwijzing) aan de Universiteit van Gent, dienst Medische Beeldvorming door dr. Katelijne Peremans
I. Aspiratie / biopsie
Een aspiratie of biopsie van een tumor wordt gedaan om het type tumor te bepalen. Deze fase noemen wij het 'typeren' van de tumor.
Er bestaan verschillende technieken:
- Dunne naald aspiratie biopt (DNAB): deze techniek wordt meestal het eerst gebruikt. Hierbij wordt een dun naaldje in de tumor (of lymfeklier, lever, milt, long...) aangebracht en worden er enkele cellen opgezogen. Deze cellen worden daarna op een glaasje aangebracht en rechtstreeks (na kleuring) onder een microscoop bekeken (dit wordt 'cytologie' genoemd): dit leidt niet altijd tot een exacte diagnose maar kan zeer waardevolle informatie opleveren. Histologisch onderzoek (uitgevoerd in een labo door een specialist, een zgn. patholoog) leidt normaliter altijd tot een diagnose. Deze techniek is (bijna) altijd zonder risico voor de patiënt en wordt door de patiënt niet als belastend ervaren. Bovendien is de kans op metastasering van de tumor door deze techniek verwaarloosbaar.
- Afdrukpreparaat: als een tumor oppervlakkig ligt (bijv. in de mondholte) en/of geulcereerd is ('hij ligt open') kan een afdruk gemaakt worden op een glaasje en deze afdruk kan net als bij de voorgaande techniek onder de microscoop bekeken worden.
- Catheter-zuigbiopt: deze techniek wordt gebruikt voor het nemen van biopten van weefsels die zich bevinden op moeilijk te bereiken plaatsen, zoals de neusholte en de urethra (plasbuis): hierbij wordt een plastieken holle buis ingebracht met aan het uiteinde een uitsparing. Deze uitsparing wordt over de tumor aangebracht (eventueel onder echobegeleiding) en door zuigkracht van een injectiespuit wordt een stukje weefsel genomen (het zgn. histologisch biopt) dat naar het labo wordt gestuurd.
- Dikke naald biopt: hiervoor bestaan verschillende apparaten. In principe wordt hier een klein (buisvormig) stukje weefsel uit de tumor (of lymfeklier, lever, milt...) gehaald en dit wordt in zijn geheel opgestuurd naar het labo. Verschil met de DNAB is dat hier duidelijk de struktuur van de tumor kan worden nagezien.
- Incisie biopt: hierbij wordt een deel van de tumor (meestal aan de rand) samen met een deel van het aanpalende, normale weefsel chirurgisch verwijderd.
- Excisie biopt: hierbij wordt de tumor in zijn geheel verwijderd en volledig opgestuurd.
Behandelingsmogelijkheden
De behandeling van een tumorpatiënt is in de afgelopen decennia uitgegroeid tot een 'multimodality therapy': op een rationele wijze wordt gebruik gemaakt van de beste behandelingsmogelijkheden die er zijn. Vaak wordt daarbij dus gebruik gemaakt van meerdere therapieën om de effectiviteit van de behandeling te verhogen.
De meeste gebruikte therapieën zijn: chirurgie, chemotherapie en bestraling. Andere, minder vaak gebruikte therapieën zijn: hormonale therapie, immunotherapie / gentherapie, cryochirurgie, foto-dynamische therapie.
Chirurgie
Chirurgie is en blijft de hoeksteen van de veterinaire oncologie. Chirurgie kan alleen worden toegepast, maar kan ook in combinatie worden gebruikt met andere therapieën, zoals bijvoorbeeld bij een fibrosarcoom van een kat: eerst opereren en post-chirurgische bestraling.
De rol van een goede chirurg is zeer belangrijk: chirurgie biedt immers een direct resultaat, is niet kankerverwekkend, is minder immunosuppressief (onderdrukt de weerstand minder) dan andere therapieën en is zeer effectief voor grote, gelokaliseerde tumoren. Daarentegen kan chirurgie meer schade berokkenen dan goed doen, als het verkeerdelijk wordt toegepast: daarom is het belangrijk om vóóraf het biologisch gedrag van de tumor te weten:
- Hierdoor wordt 'treatment failure' voorkomen door vroegtijdig metastaseren " Het type resectie kan bepaald worden, bijvoorbeeld:
- Mastceltumor: deze moeten verwijderd worden met een marge van 3 Plaveiselcelcarcinoom (minder infiltratief): kleinere chirurgische marge noodzakelijk
- Eventueel gebruik van aanvullende therapieën " Anticiperen van de prognose na chirurgie " Bepalen van andere bijkomende ziekten: bepalen van het risico (bijvoorbeeld het anesthesierisico bij een hartpatiënt) Bovendien moet de chirurg een uitgebreide kennis hebben van reconstruktietechnieken, huidflappen en transplantaties. Hierdoor kunnen tumoren wijder worden verwijderd " Minder morbiditeit en uiteindelijk ook minder mortaliteit " Minder kans op compromissen waardoor de tumor marginaal verwijderd wordt (en dus onsuccesvol)
Chemotherapie
Over deze therapie bestaat binnen de diergeneeskunde de meeste controverse, vooral ivm de bijwerkingen.
Belangrijk is om te realiseren dat niet alle tumoren gevoelig zijn voor chemotherapeutica en dat chemotherapie dus ook niet moet beschouwd worden als een wondermiddel. Bovendien kunnen de kosten oplopen tot enkele duizenden euro's per jaar en zal iedere eigenaar voor zichzelf moeten uitmaken of deze uitgaven voor hem haalbaar zijn.
Indicaties voor chemotherapie:
- Hematopoiëtische tumoren, bijv. maligne lymfoom, multiple myeloom, bepaalde vormen van leukemie " Tumoren waarbij na chirurgische verwijdering vrijwel zeker nog (micro)meta's aanwezig zijn, bijv. osteosarcoom
- Tumoren die niet chirurgisch te verwijderen zijn, maar wel kunnen reageren op chemotherapie, bijv. hersentumoren
- Pre-operatieve verkleining van grote tumoren, bijv. peri-anale adenocarcinomen
- Radiosensibilisatie van tumoren, bijv. fibrosarcoom, osteosarcoom
- Palliatieve behandeling van grote of pijnlijke tumoren, bijv. overgangsepitheelcarcinoom van de blaashals
Chemotherapeutica zijn medicamenten die de celdeling remmen (vandaar de naam 'cytostatica'), bijv. door het binden aan het DNA. Zij remmen dus niet alleen de celdeling van tumorale cellen maar ook van normale (sneldelende) weefsels: hieruit vloeien de meeste complicaties voort. Om te voorkomen dat ook het normale weefsel volledig wordt vernietigd door de chemotherapie, wordt de chemo slechts pulsgewijs gegeven: vlak na de chemo wordt zowel normaal als tumoraal weefsel vernietigd, maar in de periode die erop volgt, herstelt het normale weefsel zich weer.
De chemotherapie bestaat, afhankelijk van het gekozen protocol, uit medicatie die per tablet wordt gegeven, per infuus wordt toegediend of lokaal in de tumor wordt gebracht.
Een infuusbehandeling gebeurt altijd poliklinisch en de eigenaar blijft gedurende de behandeling bij zijn dier, tenzij hij zelf anders beslist. Zelden is een sedatie of anesthesie nodig, tenzij het om zeer angstige of aggressieve dieren gaat. De dieren krijgen achteraf een beloning om ze gerust te stellen. Het dier gaat ook direct mee naar huis met instrukties voor de volgende dagen. De duur van een behandeling varieert van ongeveer 15 minuten tot 45 minuten afhankelijk van het produkt dat wordt gebruikt.
Bijwerkingen ten gevolge van chemotherapie
Veel eigenaren staan zeer negatief tegenover chemotherapie omdat dit bij hen een beeld oproept van een doodziek, brakend en kaal dier. Bovendien hebben veel mensen al ervaringen met chemotherapie (bij mensen) uit hun directe omgeving.
Over het algemeen is het onze ervaring dat dieren minimale bijwekingen vertonen (veel minder dan bij de mens!), sommigen hebben zelfs meer energie en een verbeterde eetlust.
De kwaliteit van het leven moet gewaarborgd blijven en dus zullen de meeste bijwerkingen, zoals die bij de mens bekend zijn, onacceptabel zijn en worden de cytostatica gebruikt in een aangepaste dosis. Hierdoor is genezing niet altijd reëel, maar kan het leven wel op een verantwoorde manier voortgezet worden.
De meeste bijwerkingen ontstaan door aantasting van normale, snel delende cellen; deze kunnen dan ook in drie hoofdgroepen verdeeld worden:
- 1) Aantasting van het beenmerg (myelosuppressie): in het beenmerg zijn de stamcellen van drie celgroepen (rode bloedcellen, witte bloedcellen en de bloedplaatjes) met elk hun specifieke bijwerkingen:
- Rode bloedcellen: bij een ernstige onderdrukking van de rode bloedcellen kan er bloedarmoede (anemie) ontstaan. Zelden is de bloedarmoede zó ernstig dat er ingegrepen moet worden dmv een bloedtransfusie.
- Witte bloedcellen: bij een daling van de witte bloedcellen komt de immuniteit (of lichamelijke weerstand) van het dier in gedrang. Als de witte bloedcellen te veel dalen kunnen ze een septicaemie (sepsis) doen die levensbedreigend is. Deze infecties komen meestal voort uit bacteriën (de normale flora) vanuit de darm, niet van buitenaf. Als voorbode van een daling zijn de dieren lomer en rillen ze vaak, later zullen ze eerst koorts krijgen en nog later zal hun temperatuur vaak terug dalen en zal het dier in shock gaan. Om deze problemen te vermijden moet vóór elke chemo bloed genomen worden: aldus wordt bepaald of een behandeling kan doorgaan of dat het uitgesteld moet worden. De eigenaar moet ook regelmatig thuis de temperatuur van zijn dier meten: alleen zo kan een plotse stijging van de temperatuur opgemerkt worden en kan er vroegtijdig ingegrepen worden en hospitalisatie van het dier vermeden worden. Het stijgen van de lichaamstemperatuur is een alamsignaal: het niet reageren op dit signaal kan leiden tot een levensbedreigende situatie!
- Bloedplaatjes: zeer zeldzaam kunnen de bloedplaatjes dusdanig dalen dat spontane bloedingen ontstaan waardoor een bloedtransfusie noodzakelijk is.
- 2) Aantasting van het maag-darmslijmvlies: de meest bekende en gevreesde bijwerkingen zijn braken en diarree. Deze bijwerkingen zijn over het algemeen zeer mild en kunnen gewoonlijk zeer goed onder controle gehouden worden met medicatie. Meestal zijn de dieren niet ziek, maar zijn ze enkele dagen na de chemo wat rustiger en hebben ze soms een minder goede eetlust Zeer zelden moet een dier gehospitaliseerd worden omdat het braken niet onder controle te krijgen is met de klassieke medicatie.
- 3) Aantasting van de haarzakjes (alopecie): haarverlies is ongewoon bij onze huisdieren, behalve bij de zgn. 'trimrassen', zoals poedels, bouviers. Zij zullen gewoonlijk niet volledig kaal worden, maar de ondervacht verdwijnt waardoor de vacht erg uitdunt. Dit blijkt overigens voor alle eigenaren een acceptabel feit. Bovendien zijn de meeste eigenaars zeer vindingrijk in het oplossen van dit 'probleem'. Katten verliezen over het algemeen niet hun haar, maar kunnen wel hun snorharen verliezen. Snorharen en vacht groeien gewoon terug na het stopzetten van de chemotherapie. Andere bijwerkingen die gezien worden bij chemotherapie zijn het gevolg van de eigenschappen van de produkten zelf:
- 4) Extravasatie (het lekken van de chemotherapeutica naast het bloedvat): bepaalde chemotherapeutica moeten stikt intraveneus gegeven worden; als dit niet gebeurt, kan dit tot gevolg hebben dat de huid en omliggende weefsel afsterft. Dit wordt o.a. gezien bij doxorubicine, vincristine en vinblastine.
- 5) Cardiotoxiciteit (toxisch voor het hart): bepaalde rassen (boxer, dobermann, bouvier, cavalier king charles spaniel...) zijn gevoelig voor het ontstaan van hartproblemen: deze moeten dan bij het gebruik van bepaalde chemotherapeutica (doxorubicine) regelmatig onderzocht worden dmv echografie (echocardiografie) door een cardioloog: in dierenkliniek Randstad staat dr. Stephane Albers in voor de cardiologie.
- 6) Nefrotoxiciteit (toxisch voor de nieren): regelmatig bloedonderzoek en nakijken van de nierfunktie bij bepaalde produkten (carboplatine) en zelfs een geforceerde diurese bij gebruik van andere produkten (cisplatine)
- 7) Hemorrhagische cystitis: bloederige, steriele blaasontsteking bij de hond bij bepaalde chemotherapeutica (endoxan): daarom wordt bij gebruik van deze produkten vóór en na elke chemo een urineonderzoek gedaan.
- 8) Longfibrose / longoedeem: bepaalde chemotherapeutica kunnen bij de kat een acuut longoedeem en sterfte veroorzaken (cisplatin) en mogen dus niet gebruikt worden in deze diersoort. Andere chemotherapeutica kunnen op lange termijn longfibrose geven (lomustine).
- 9) Neurotoxiciteit: wordt zelden waargenomen bij dieren itt mensen. Het kan voorkomen na gebruik van o.a. vincristine en vinblastine.
- 10) Anafylaxie: zeldzaam waargenomen. Deze allergische reakties (bijvoorbeeld bij doxorubicine, asparaginase) kunnen waargenomen worden tijdens de toediening, vlak erna en soms zelfs tot enkele uren daarna. De klachten kunnen variëren van jeuk, braken, uitslag, zweren tot collaps en sterfte. Indien deze klachten thuis optreden, is snel reageren door de eigenaar onontbeerlijk.
Omwille van de bijwerkingen is onze kliniek voor alle chemopatiënten 24/24 en 7/7 bereikbaar.
Veiligheid speelt een belangrijke rol binnen onze kliniek en dus is er ook veel tijd en geld in geïnvesteerd.
- Voor onszelf maken wij gebruik van speciale chemohandschoenen, bereiden wij de chemo voor in speciaal daarvoor bestemde kasten, wordt gebruik gamaakt van speciale gesloten spuiten en naalden en wordt al het afval verwerkt als gevaarlijk chemisch afval.
- Wij zullen geen dieren behandelen die tijdens hun 'uitscheidingsperiode' niet weggehouden worden bij zwangere vrouwen, jonge kinderen en jonge dieren. Wij willen niet de verantwoordelijkheid dragen voor eventuele ongevallen.
- Uitgebreide informatie wordt na elke behandeling gegeven aan de eigenaar betreffende de te verstrekken medicatie en omgang met excreta.
- Verdere informatie kan u nalezen in ons veiligheidsprotocol.
Voor welke tumoren kan chemotherpie succesvol worden ingezet?
- Maligne lymfoom (lymfosarcoma) bij hond en kat
- Osteosarcoom in combinatie met pootamputatie / pootsparende chirurgie
- Overgangsepitheelcarcinoom blaashals
- Hersentumoren
- Mastocytomen
- Multiple myeloom
- Bepaalde vormen van leukemie (CLL)
- Peri-anale adenocarcinomen
- Plaveiselcelcarcinoom neusspiegel kat
- Adenocarcinomen rectum - colon
- Plaveiselcelcarcinoom (niet-tonsillair) mondholte hond
Lijst van chemotherapeutica die het meest worden gebruikt in de diergeneeskunde:
- Cyclophosphamide Chlorambucil Melphalan
- Lomustine (CCNU) Vincristine Vinblastine
- Methotrexaat 5-Fluorouracil Cytosine arabinoside
- Gemcitabine Doxorubicine Epirubicine
- Mitoxantron Cisplastine Carboplatine
- Paclitaxel Piroxicam Prednisolone
- L-Asparaginase
Telkens na een behandeling met chemotherapeutica, zal uw dier deze produkten uitscheiden. Helaas is hierover binnen de diergeneeskunde (nog) geen onderzoek gedaan. Daarom gebruiken wij de excretietijden die voor de mens worden gebruikt:
- Azathioprine (Imuran ) 4 dagen
- Carboplatine 4 dagen
- Chlorambucil (Leukeran ) 2 dagen
- Cisplatine 7 dagen
- Cyclophosphamide (Endoxan ) 3 dagen
- Cytosine Arabinoside 2 dagen
- Doxorubicine 6 dagen
- Epirubicine 6 dagen
- 5- Fluorouracil 2 dagen
- Gemcitabine 2 dagen
- L-Asparaginase (Paronal) 2 dagen
- Melphalan 2 dagen
- Methotrexaat urine 72u, ontlasting 7 dagen
- Mitoxantron 7 dagen
- Paclitaxel (Taxol ) 2 dagen
- Vinblastine 2 dagen
- Vincristine 2 dagen
Hoewel wij aanraden om altijd een goede hygiëne te handhaven als u met uw (ziek) dier omgaat, kunt u best extra voorzorgsmaatregelen nemen wat betreft urine, ontlasting, braaksel, bloed en speeksel gedurende de excretieperiode zoals hierboven aangegeven. Meer informatie hieromtrent vind u in ons veiligheidsprotocol.
Bestraling
Radiotherapie is de behandeling met ioniserende straling die kan bestaan uit elektro-magnetische golven (röntgen- of gammastralen) of deeltjes (elektronen, protonen en neutronen). De eenheid van bestraling is de Gray (Gy).
Er zijn verschillende soorten bestralingsapparatuur:
1. orthovoltage apparaten:
Deze apparaten produceren röntgenstralen met een relatief lage energie, waardoor ze niet diep in de weefsels kunnen penetreren. Deze apparaten worden gebruikt voor processen die oppervlakkig gelegen zijn (zoals in de huid of op slijmvliezen).
- megavoltage apparaten:
Deze apparaten produceren fotonen of elektronen met een hoge energiewaarde waardoor hun maximale energieniveau op ongeveer 0.5 - 1 cm onder de huid gelegen is: deze zijn dus uitermate geschikt voor processen van dieper gelegen weefsels en hebben een huidsparend effect.
Er zijn verschillende soorten van megavoltage apparaten: lineaire versnellers, Cobalt60 apparaten en protonbestraling.
Cobalt60 apparaat (Universiteit Madison-Wisconsin, VS)
-
brachytherapie:
Hierbij wordt, in het te behandelen gebied, radioactief Iridium192 geimplanteerd onder de vorm van naalden of nylondraadjes met Iridium-'zaadjes'. Ir192 heeft een halfwaardetijd van 74.2 dagen en de vrijkomende straling bestaat uit gammastraling met een energie van gemiddeld 370 keV. Op een afstand van 5 mm van de naald is het stralingsniveau te verwaarlozen voor de weefsels in de direct omgeving, waardoor deze vorm van behandeling zich uitstekend leent voor lokaties die moeilijk te benaderen zijn voor andere vormen van radiotherapie door de sterke radiosensiviteit van o.a. het oog, de longen en de darmen (wordt bijvoorbeeld gebruikt voor tumoren dicht bij het oog, in de tong of op de borstwand).
De behandelingsduur is gemiddeld 7-10 dagen waarbij opname en isolatie van de dieren een strikte vereiste is ivm het cumulatieve effect van de vrijkomende straling op de omgeving. -
metabole radiotherapie:
Deze methode wordt gebruikt voor de behandeling van schildklieradenomen bij de kat met radioactief Iodium131. Het Iodium wordt onderhuids toegediend en wordt opgenomen in het schildkleirweefsel. Hierbij komen gammastralen vrij en wordt het tumorweefsel vernietigd. Ook hierbij is een korte hospitalisatie noodzakelijk.Orthovoltage behandeling is mogelijk bij een beperkt aantal praktijken in Nederland (een lijst kunt u vinden op www.kankerbijdieren.nl)
Bestraling met een lineaire versneller is mogelijk in het Centre Cancerologie Veterinair in Parijs (Frankrijk) en het Kantonales Tierspital in Zürich (Zwitserland).
Metabole radiotherapie is mogelijk aan de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit van Gent (vakgroep Medische Beeldvorming).
Voor bestraling in aanmerking komende tumoren zijn:
- mastocytomen
- (orale) maligne melanoma acanthomateuze epuliden
- tumoren in kop/halsgebied na onvolledige chirurgische verwijdering
- hersentumoren, eventueel in combinatie met chirurgie en/of chemotherapie
- sterk gelokaliseerde lymfomen en andere rondcellige tumoren, bijvoorbeeld plasmaceltumor
- osteosarcomen, zowel palliatief (als pijnstillende therapie) als curatief in combinatie met pootsparende chirurgie
- tumoren in de neusholte, vaak na voorafgaande chirurgie
- tumoren rond de anus
- likgranulomen
- therapie resistente granulomateuze meningo-encephalitits.
Kankerpreventie
Borstkankerpreventie:
Eén op vier teven zal in de loop van haar leven borstkanker ontwikkelen. In 50% van de gevallen gaat het om kwaadaardige tumoren. Bij kattinnen is dit zelfs 80%!
Het risico op borstkanker kan zeer sterk gereduceerd worden door vroegtijdige sterilisatie: door sterilisatie vóór de eerste loopsheid wordt het risico teruggebracht tot 0.5%, bij sterilisatie tussen de eerste en tweede loopsheid is het risico reeds 8% en na de tweede loopsheid 25%!
De eerste loopsheid kan optreden vanaf 6 maanden leeftijd, dus adviseren wij de sterilisatie te laten uitvoeren op 5 maanden leeftijd.
Kattinnen worden gesteriliseerd vanaf 5-6 maanden leeftijd.
Het gebruik van de (prik)pil wordt ontegenzeggelijk afgeraden: het verhoogt niet alleen het risico op borstkanker, maar ook op baarmoederontstekingen, diabetes en beenmergsuppressie.
Het fabeltje dat een teef of kattin eerst een nestje moet hebben gehad is onjuist!
Prostaatkanker bij de Bouvier:
Zoals hoger beschreven, werkt het niet castreren beschermend tegen de ontwikkeling van prostaatkanker. De Bouvier is een ras die blijkbaar nog gevoeliger is voor het ontwikkelen van prostaatkanker.
Het castreren wordt daarom afgeraden, tenzij het om bepaalde redenen noodzakelijk is, zoals teelbalkanker, prostaathypertrofie, prostaatcysten, gedragsproblemen.
Teelbalkanker bij cryptorchidie:
Onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat een niet-ingedaalde teelbal een verhoogd risico heeft op het ontwikkelen van tumor.
Aangeraden wordt om zo'n teelbal vroegtijdig chirurgisch te verwijderen
Blaashalskanker bij de Schotse Terriër:
De Schotse Terriër heeft in vergelijking met andere rassen een 18-voudig risico op het ontwikkelen van overgangsepitheelcarcinoom van de blaashals. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat dit risico nog eens verdubbelt na gebruik van herbiciden en sommige insecticiden. Voorzichtigheid is dus geboden bij het gebruik van deze produkten in en rondom het huis.
Plaveiselcelcarcinoom oorranden van de kat:
Plaveiselcelcarcinomen van de oorranden van de kat kan voorkomen worden door enerzijds te voorkomen dat het dier tijdens de warmste preiodes van de dag niet buitenkomt (en dus niet blootgesteld wordt aan de UV-bestraling).
Anderzijds kan men de ongepigmenteerde, weinig behaarde oorranden beschermen door middel van het gebruik van een zonnebrandcrème met een hoge beschermingsfactor.
Vaccine-associated fibrosarcoma's bij de kat:
Bij de kat kan op de plaats van een inenting een tumor ontstaan, een zogenaamde fibrosarcoma. Deze kunnen zich ontwikkelen na gebruik van voornamelijk 'geinactiveerde' vaccins, zoals hondsdolheid.
Geadviseerd wordt om slechts tegen die ziekten te vaccineren waarvoor het dier een verhoogd risico loopt (bijvoorbeeld een dier dat buitenloopt in een regio waar een verhoogd risico is op het oplopen van FeLV-virus, wordt best gevaccineerd). Ook wordt het aangeraden om op bepaalde lokaties niet te vaccineren (zoals in de nekplooi) omdat het verwijderen van een eventuele tumor op deze plaats voor moeilijkheden kan zorgen.
Meer informatie hieromtrent kunt u vinden op http://www.geocities.com/~kremersark/brochure.html
Baarmoederkanker bij het konijn:
Voedsters zijn op oudere leeftijd (50-80% boven de 4 jaar leeftijd) gevoeliger aan het ontwikkelen van adenocarcinomen van de baarmoeder: als preventieve maatregel wordt een ovariohysterectomie aangeraden vóór de leeftijd van 2 jaar.
Volgende dierenartsen hebben zich extra verdiept in dit vakgebied:
