Interne geneeskunde

Nieren, lever, pancreas,...

Vaak zal er voor de diagnose bloed- en/of urineonderzoek aan te pas komen.

Een bloedname bij uw hond of kat kan tijdens de consultatie zelf gebeuren. Een verdoving is zelden nodig, ook niet bij katten. Er wordt enkel een klein stukje van de hals of voorpoot geschoren. Voor de meeste bloedtesten is het best dat uw dier nuchter is.
We beschikken in onze kliniek over eigen analysetoestellen. Deze kunnen gebruikt worden in het weekend of bij dringende analyses. De meeste analyse laten we echter in een extern laboratorium uitvoeren.

Uit een onderzoek van de urine kan heel wat nuttige informatie gehaald worden. Urine kan door uzelf thuis opgevangen worden, of kan op de praktijk genomen worden. Als u denkt dat uw dier problemen heeft met plassen of juist overdreven vaak plast, kan u misschien zelf al een staaltje meebrengen.
Bij reutjes is het opvangen van urine vrij gemakkelijk. Als uw hond plast, vang dan niet de eerste straal op maar wel de urine die volgt. Bij teefjes is het soms moeilijk urine op te vangen vooraleer het de grond raakt. Een schaal of plat bord kan hierbij handig zijn.
Bewaar de urine in een potje dat u van de dierenarts gekregen heeft of een ander goed schoongemaakt potje. Probeer een urinestaal zo snel mogelijk te bezorgen. Indien u het niet onmiddellijk kan bezorgen, bewaart u het in de koelkast. Een urinestaal hoeft niet groot te zijn, voor de meeste onderzoeken is een 5 tal milliliter genoeg (ongeveer een eetlepel vol).
Bij katten is het moeilijk om urine op te vangen. Eventueel kan een speciale soort kattebakvulling gebruikt worden die u bij ons kan verkrijgen.
Een andere veel gebruikte techniek om een urinestaal te bekomen is via echografisch onderzoek. Hierbij wordt de blaas van uw dier aangeprikt onder begeleiding van de echo. Vaak maakt dit deel uit van een standaard echografisch onderzoek. Daarom wordt dan ook gevraagd uw dier niet te laten plassen vooraleer u op consultatie komt, anders is de blaas leeg en kan er geen staal genomen worden.

Mogelijks zal ook medische beeldvorming gebruikt worden om afwijkingen aan organen zichtbaar te maken. 
Voor een definitieve diagnose is het soms nodig om een staal (biopt) van het orgaan te nemen en voor weefselonderzoek naar het labo te sturen.

Suikerziekte

Om de verdere artikels over therapie beter te begrijpen, is een korte inleiding over wat suikerziekte nu juist is, zeker een aanrader.

We beginnen ons verhaal bij de maaltijd van uw huisdier. Het voer wordt in de darmen afgebroken tot de elementen die het lichaam kan gebruiken. Zo worden koolhydraten voornamelijk afgebroken tot glucose, een suiker dat via de darm in het bloed wordt opgenomen. Dit verklaart waarom na de maaltijd het glucose-aanbod stijgt.

Spier- en vetcellen nemen alleen glucose uit het bloed op als ze daartoe door het hormoon insuline zijn aangezet. Deze insuline wordt gemaakt door bepaalde cellen in de alvleesklier (pancreas). Insuline zorgt er dan ook voor dat:

  • Spier- en vetcellen voldoende glucose kunnen opnemen;
  • Het glucosegehalte in het bloed tussen bepaalde grenzen blijft.

Een logische gevolg van een tekort aan insuline is dan ook dat er teveel glucose in het bloed achterblijft. Veel lichaamscellen daarentegen krijgen net te weinig glucose om goed te functioneren. Dit verschijnsel noemen we suikerziekte.

Omdat de behandelingskansen beter zijn in een vroeg stadium van diabetes, is het belangrijk alert te zijn voor de verschijnselen die op suikerziekte kunnen wijzen en om risicofactoren zoveel mogelijk uit te schakelen.

De aanwezigheid van een teveel aan glucose in het bloed leidt ertoe dat via de nieren glucose met de urine verloren gaat. Doordat de glucose in de urine vocht meetrekt, gaat uw huisdier meer plassen. Om uitdroging te voorkomen, gaat het vervolgens meer drinken.

Aangezien de bouwsteen glucose nu verloren gaat, zal uw viervoeter ook meer beginnen eten. Door de slechte opname van glucose uit het bloed, gaat het echter alsnog vermageren. Wordt in dit stadium niet ingegrepen, vermindert de eetlust wat ernstige ziekte tot gevolg kan hebben. In dit latere stadium kunnen misselijkheid en braken optreden. Bij de kat kan ook zwakte van de achterpoten een signaal zijn.

Al deze knipperlichten wijzen richting diabetes, maar evengoed naar andere mogelijke aandoeningen. De definitieve diagnose wordt gesteld door meermaals een te hoog glucosegehalte in het bloed waar te nemen wanneer ook de urine glucose bevat. De aanwezigheid van een hoge bloedsuikerspiegel is hierbij een betrouwbaardere indicatie dan de aanwezigheid van glucose in de urine.

Voor de opsomming van de risico-factoren maken we een onderscheid naargelang diersoort.

Bij de kat:

  • Leeftijd, groter gevaar bij oude katten
  • Gecastreerde katers
  • Genetisch
  • Andere aandoeningen die insuline resistentie induceren, bijvoorbeeld chronische pancreatitis (ontsteking van de alvleesklier) of hyperthyroïdie (overmatige productie van schildklierhormoon)
  • Overgewicht
  • Fysische inactiviteit
  • Binnenkatten

Bij de hond:

  • Leeftijd, groter gevaar bij oude honden
  • Niet-gesteriliseerde teven
  • Genetisch
  • Overgewicht
  • Rassen met verhoogd risico: Teckel, Doberman Pinscher, Cocker Spaniël, Golden Retriever, Duitse Herdershond, Labrador, Toy Poedel, Pomeriaan, Terriër.

De oorzaak van suikerziekte kan niet altijd worden weggenomen. Echter is, mits de nodige discipline, een redelijk normaal leven voor uw oogappel alsnog mogelijk. Behandeling met insuline zal hierbij een sleutelrol spelen. Dit neemt echter niet weg dat de onderliggende oorzaak (bijvoorbeeld overgewicht) ook moet worden aangepakt om de behandeling maximale kans op slagen te geven.

Behandeling met insuline

Aangezien een tekort aan insuline aan de basis ligt van suikerziekte, kunnen we dit kunstmatig verhogen. Dit kan u zelf door meermaals daags insuline onderhuids te injecteren. Voor wie dat wenst, zijn speciale injectiepennen verkrijgbaar, toegespitst op het gebruik bij dieren. Het gebruik van spuitjes met een fijne naald blijft ook mogelijk: u krijgt bij ons de correcte spuitjes mee bij de aankoop van insuline. Deze spuitjes zijn toegespitst op de concentratie van de insuline in kwestie, vergewis uzelf er dus steeds van thuis enkel deze spuitjes te gebruiken.

Omdat de grootte van het insuline-tekort niet gekend is, zal onze dierenarts de startdosis voornamelijk aan het gewicht van uw hond of kat bepalen. Door regelmatig het gehalte aan glucose in het bloed te meten, kan de uiteindelijke dosis bepaald worden. De meting kan gebeuren met slechts één druppel bloed en een glucosemeter. Eventueel zullen wij voorstellen uw huisdier één dag op te nemen in onze hospitalisatie zodat wij een glucose-dagcurve op kunnen stellen.

Eens de juiste dosis is gevonden, is discipline erg belangrijk. We willen immers het delicate evenwicht in het bloed niet verstoren.

Complicaties bij de behandeling

Hoewel met de juiste dosering insuline uw huisdier een vrijwel normaal leven kan leiden met een goede levensverwachting, dient u steeds alert te zijn voor mogelijke complicaties.

In de eerste plaats denken we aan een te laag bloedglucosegehalte (hypoglycemie). Dit is te wijten aan een te hoge dosis insuline. Hoewel zeldzaam, is het belangrijk in dergelijke situatie juist te handelen en de risico-factoren te kennen en waar mogelijk te vermijden:

  • Minder eten in combinatie met de gewone insulinedosering;
  • Verhoogde inspanning die zorgt voor een verhoogd glucoseverbruik;
  • Een te hoge dosering insuline;
  • Een normale dosering insuline gecombineerd met een verminderde behoefte.

Door het lage bloedglucosegehalte krijgen de hersenen als het ware te weinig brandstof. Deze potentieel levensbedreigende situatie uit zich als volgt:

  • Honger op onverwachte tijdstippen;
  • Onrustig gedrag of juist sloomheid;
  • Trillen of rillen;
  • Vreemde bewegingen (omvallen, trappelen met de poten);
  • Diepe slaap, waaruit de hond of kat slecht of niet wakker te maken is.

Correct handelen bij complicaties

Probeer eerst om meteen een maaltijd aan te bieden. Lukt het uw huisdier niet meer om die te nuttigen, dan is het geven van glucose (druivensuiker of een druivensuikeroplossing) of honing de volgende stap. Zowel bij hond als kat, geeft u hiervan ongeveer 1 gram per kilogram lichaamsgewicht. De oplossing kan u voorzichtig in de wangzak gieten, het poeder of de honing kan u op het mondslijmvlies wrijven, vooral op en onder de tong. Uw huisdier moet haast onmiddellijk na toediening positief reageren op de glucose. Is dat niet het geval, dan belt u ons best op om de opties te bespreken.

Wanneer de toegediende glucose ervoor zorgt dat uw hond of kat zich snel beter voelt, voorziet u alsnog meteen een extra maaltijd. De komende uren zal met regelmatige tussenpozen opnieuw voeding gegeven moeten worden om een nieuwe daling in het bloedglucosegehalte te voorkomen. Het is tot slot belangrijk ons te contacteren voor de volgende insuline-injectie. We zullen dan telefonisch met u overleggen welke dosis u dient te spuiten.

Voor één op vijfhonderd, tot één op honderd honden of katten, is suikerziekte een dagelijkse realiteit. Hoewel we de onderliggende oorzaak niet altijd kunnen genezen, kunnen we wel werken aan een goede levenskwaliteit voor uw huisdier. Naast de correcte dosis insuline, bent u als eigenaar cruciaal in het slagen van deze behandeling. Regelmaat in het leven van uw huisdier (en dus ook dat van u en uw gezin) is essentieel maar kan wel zorgen voor een kwaliteitsvol leven van uw hond en kat met suikerziekte.

Wij merken vaak dat het geven van injecties een grote drempel is voor eigenaars. Wij zijn er om u te helpen deze drempelvrees te overwinnen. Hiervoor zullen we samen met u oefenen om correct insuline te injecteren, met of zonder speciale pen. Het is onze ervaring dat baasjes deze techniek snel in de vingers krijgen en zich al gauw de vraag stellen waarom die vrees nodig was.

Wie heeft zich in dit vakgebied verdiept?

Cindy van Geffen
Europees specialist