Oncologie

Kankerbestrijding bij huisdieren

Elke dag delen er cellen in ons lichaam. Oude, dysfunctionele cellen worden vervangen door jonge, goed werkende cellen. Deze celgroei wordt door verschillende mechanismen in ons lichaam streng gecontroleerd en iedere cel zal vroeg of laat een voorgeprogrammeerde celdood ondergaan.
Door veranderingen in het DNA (genmutaties) kunnen cellen tumoraal worden: er vormen zich groepjes abnormale cellen (tumor).

Niet alle tumoren zijn kwaadaardig. Goedaardige (beninge) tumoren zijn groepen abnormale cellen die het omliggende weefsel niet binnendringen en zich niet verspreiden in tegenstelling tot kwaadaardige (maligne) tumoren.

Kankertumorneoplasie en maligniteit zijn verschillende termen voor dezelfde ziekte.

Cancer. The word is as dark and empty as the disease it defines. A diagnosis of cancer often brings with it feelings of overwhelming fear, a spiralling sense of loss of control, and, most devastating of all, the loss of hope.
The beacon of light one must carry to defeat the darkness of cancer is knowledge.’
 

G. K. Ogilvie, DVM

In onze westerse wereld, die wordt gekenmerkt door technologische vooruitgang, individualisme en eenzaamheid, zijn onze huisdieren een steeds belangrijkere rol gaan spelen in onze levens. Bij hen vinden wij de geborgenheid, onvoorwaardelijke vriendschap, liefde en gezelschap terug van weleer. Steeds meer huisdiereneigenaren beschouwen hun huisdier dan ook als een volwaardig lid van hun gezin, die ook recht heeft op de beste medische zorgen. Veel mensen zijn bereid tot (vaak grote) financiële uitgaven om hun dier met kanker te behandelen met uitgebreide oncologische behandelingen. Als genezing niet haalbaar blijkt, is het krijgen van een gehele of gedeeltelijke remissie van de tumor (met de daarbij behorende best mogelijke kwaliteit van het nog resterende leven) in een groot aantallen gevallen een volledig geaccepteerd alternatief.

Doordat onze huisdieren genieten van een betere voeding, een betere preventieve gezondheidszorg, vooruitgangen in de diergeneeskunde en nauwere gezinsrelaties, worden ze steeds ouder. Met een langer leven gaan ouderdomsziekten gepaard, zoals hart- en nierfalen en kanker. Er wordt geschat dat 1 op 4 honden en 1 op 6 katten een tumor zal ontwikkelen in de loop van zijn leven en dat ongeveer 50% van honden ouder dan 10 jaar zal sterven aan kanker (of problemen veroorzaakt door kanker).

Bij dierenkliniek Randstad begrijpen en respecteren wij de unieke band die u met uw geliefde huisdier deelt. Door dit respect bedrijven wij de diergeneeskundige oncologie vanuit ons hart en ondersteunen deze met wetenschappelijke kennis: ‘compassionate care’. Wij hopen dat al uw vragen beantwoord worden bij het lezen van deze web-pagina’s. Indien u daarna nog met vragen zit, neemt u dan gerust contact met ons op.

De gevaarlijkste uitspraak door een dierenarts, na het vaststellen van een dikte bij uw dier is: "Afwachten of het groeit en verder niets doen."

J.P. de Vos, DVM

De Veterinary Cancer Society heeft een lijst opgesteld met de tien meest voorkomende klachten die kunnen wijzen op de aanwezigheid van kanker bij een dier:

  1. Abnormale zwellingen die niet verdwijnen of groter worden
  2. Zweren die niet genezen
  3. Gewichtsverlies
  4. Verlies van eetlust
  5. Bloedverlies of andere uitvloeiingen uit lichaamsopeningen
  6. Verspreiding van een onaangename geur
  7. Problemen met eten of slikken
  8. Geen zin om te gaan wandelen, spelen of een verminderd uithoudingsvermogen
  9. Aanhoudende kreupelheid of stijfheid
  10. Problemen met ademhalen, urineren of ontlasten.

Van de meeste tumoren is niet geweten wat de oorzaak is. Er zijn verschillende factoren mogelijk die een wijziging in het DNA veroorzaken:

  • Niet-erfelijke factoren
    • Infectieuze (virussen, bacteriën, parasieten)
    • Chemische
    • Biogische (UV-licht, straling, hormonen...)
  • Erfelijke factoren

Niet-erfelijke factoren

Virussen

Virussen kunnen kankerverwekkers zijn door een direct effect: zij kunnen zich bijv. inplanteren in het DNA van de gastheer en zorgen voor een activatie van zgn. oncogenen (bijv. FeLV-virus). Zij kunnen echter ook op een indirecte manier hun effect bereiken: bijv. door een onderdrukking van de afweer (FIV-virus).

Feliene Leukemie Virus (FeLV)

Hematopoiëtische tumoren (tumoren van de bloedcellen en beenmerg) zijn de meest voorkomende tumoren bij de kat. Ze zijn verantwoordelijk voor ongeveer 30-40% van alle tumoren. Dit cijfer is direct gerelateerd aan het voorkomen van FeLV in de populatie katten.

FeLV wordt meestal gezien met maligne lymfoma en met leukemie. Belangrijk is te weten dat dieren met deze tumoren niet altijd besmet zijn met FeLV:

  • Mediastinale vorm: 80% positief
  • Multicentrische vorm: 60% positief
  • Gastro-intestinale vorm: 30% positief

De voornaamste bron van infectie zijn de viraemische katten (katten die besmet maar niet ziek zijn en het virus continu uitscheiden), die het virus continu uitscheiden via hun speeksel: de verspreiding gebeurt dan ook door intiem (sociaal) contact. De verspreiding kan ook aangeboren zijn via een geïnfecteerde kattin die de ziekte doorgeeft aan haar kittens. In de eerste weken na infectie, zullen de interacties tussen het virus en het immuunsysteem van de gastheer, de uitkomst bepalen: persisterende virale infectie, latente infectie of immuniteit. Het zijn de katten met een persisterende infectie die later FeLV-geassocieerde ziekten (tumoren) ontwikkelen.

Feliene Immunodeficiëntie Virus (FIV)

Dit virus wordt vooral geassocieerd met maligne lymfoma bij de kat. Zij bereiken hun carcinogeen (kankerverwekkend) effect vooral op een indirect manier door onderdrukking van het immuunsysteem.

Papillomavirussen

Deze virussen komen bij vele diersoorten voor (rundvee, paarden, honden) en veroorzaken papilloma’s (“wratten”).
Over het algemeen zijn deze papilloma’s goedaardig: het afweersysteem van het dier overwint het virus en de papilloma’s verdwijnen spontaan over een periode van ongeveer 6 maanden. Het meest worden ze gezien bij jonge dieren.

Chemische carcinogenen

Bij de mens is dit een goed gedocumenteerde groep van carcinogenen (kankerverwekkers). Iedereen kent de gevolgen van o.a. asbest en sigarettenrook. In de diergeneeskunde is hier nog maar weinig onderzoek naar verricht.
Enkele voorbeelden die we kunnen vermelden:

  • Er zou een verband zijn tussen maligne lymfoma bij de hond en het gebruik van de herbicide 2,4D;
  • ­Recent onderzoek wijst ook op het effect van sigarettenrook en nicotine op het ontwikkelen van (gastro-intestinaal) lymfoma bij de kat;
  • Het voorkomen van blaaskanker bij de Schotse Terrier zou aanzienlijk meer voorkomen bij gebruik van bepaalde pesticiden en herbiciden in en rond het huis.

Biologische factoren

Bestraling en UV-licht

Straling is een bekend carcinogeen bij zowel de mens als dier. Stralen kunnen door een direct effect DNA beschadigen of indirect werken door de produktie van vrije radicalen.Enkele voorbeelden:

  • Plaveiselcarcinoom (squameus cel carcinoom, SCC) bij de kat op de oorranden, neusspiegel en ooglidranden: dit komt vooral bij licht gepigmenteerde en weinig behaarde katten. Door chronische blootstelling aan (fel) zonlicht ontwikkelen zij op deze plaatsen een chronische inflammatoire dermatitis dat zich in de loop van de tijd verder ontwikkelt tot een tumor.
  • Op een oude bestralingsplaats kan zich na enkele jaren een andere tumor ontwikkelen.

Hormonen

Vooral de geslachtshormonen spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van tumoren bij hond en kat. Enkele voorbeelden:

  • Door oestrogenen bij de teef kunnen goedaardige vaginale fibroma’s ontwikkelen
  • Een vroegtijdige sterilisatie beschermt tegen de ontwikkeling van borstkanker
  • Niet-ingedaalde teelballen hebben tot 16x meer kans op het ontwikkelen van kwaadaardige teelbalkanker

Erfelijke factoren

Bij de mens is dit voor bepaalde tumoren goed gedocumenteerd in tegenstelling tot onze huisdieren.Wel hebben bepaalde rassen een uitgesproken aanleg voor bepaalde tumoren (bijv. Boxers, Bull Mastiffs, Labradors, Flat-Coated Retrievers, Berner Sennenhund, Schotse Terriërs, Duitse Herders) en dus kan een erfelijkheidsfactor vermoed worden.

Deze fase noemen wij het ‘stageren’: hierbij bepalen wij niet alleen de omvang en lokalisatie van de tumor, maar zoeken wij ook naar uitzaaiingen (metastasen) in lymfeklieren, longen en andere inwendige organen en naar para-neoplastische syndromen (dit zijn bijkomende lichamelijke klachten die veroorzaakt worden door de tumor, bijv. een te hoog calciumgehalte in het bloed of bloedarmoede). Bovendien kijken we of uw dier geen andere ziektes heeft (zoals diabetes, hart- en nierfalen, AIDS enz.), die soms ernstiger of meer levensbedreigend zijn dan de tumor zelf.

Pas als alle gegevens verzameld zijn, kunnen de beste behandelingsmogelijkheden gegeven worden die het best passen bij uw dier en zijn ziekte.

Vooral deze fase kost veel tijd (en soms ook geld): dit wordt gedaan om teleurstelling achteraf door te haastig te werk gaan te vermijden. Vergelijk dit met geblinddoekt op een autosnelweg rijden: daar komen ongelukken van...Belangrijk is te beseffen dat ondanks de meest moderne onderzoekstechnieken, het niet altijd mogelijk is om zeer kleine uitzaaiingen op te sporen. Hierdoor kan de ziekte van uw dier dat aanvankelijk gunstig leek, plots een ongunstige wending nemen.

De mogelijke onderzoeken die voorgesteld kunnen worden zijn:

  • Algemeen klinisch onderzoek
  • Echografie
  • Endoscopie
  • Radiografie
  • Bloedonderzoek
  • Beenmergpunctie
  • CT-scan / MRI
  • Scintigrafie
  • Aspiratie / biopsie (tumor, lymfeklieren, long, lever, milt)

Hoe uitgebreid deze onderzoeken zijn, wordt bepaald door (het biologische gedrag van) de tumor, bijvoorbeeld:

  • Mastceltumoren: punctie / biopsie tumor, punctie regionale lymfeklieren, echografie (en evt punctie) lever en milt.
  • Plaveiselcarcinoom neusspiegel kat: deze tumor is heel kwaadaardig maar uitzaaiingen zijn zeldzaam of komen pas veel later voor: punctie lymfeklieren en radiografie longen (deze zullen zelden dus metastasen aantonen).
  • Osteosarcoom: punctie regionale lymfeklieren, radiografie longen en andere beenderen (kan ook gebeuren door scinitgrafie) en bloed.
  • Maligne lymfoma: biopt lymfeklieren, echografie (en evt punctie) lever, milt, radiografie longen, beenmergpunctie en bloed.

Klinisch onderzoek

Dit is meestal het eerste contact tussen u, uw dier en de dierenarts. Er zullen dan allerlei vragen aan u gesteld worden om ons een idee te geven over de tumor en de algemene gezondheidstoestand van uw dier, bijvoorbeeld: hoe is de eetlust, drinkt en plast hij meer dan vroeger, braakt hij, heeft hij diarree, denkt u dat hij pijn heeft, mankt hij, heeft hij een opgezette buik, hoe is zijn ademhaling, hoest hij, hoe is zijn uithoudingsvermogen, is er sprake van niezen, heeft u bloedverlies opgemerkt, is hij wel eens flauwgevallen, hoe lang zit het gezwel er al, groeit het snel, is uw dier gesteriliseerd / gecastreerd, heeft zij ooit de prikpil gekregen? etcetera.

Daarna wordt uw dier volledig onderzocht: kleur van de slijmvliezen, ogen, grootte van de lymfeklieren, het hart wordt beluisterd (hartauscultatie), de longen worden beluisterd (longauscultatie), de buik wordt afgestast (buikpalpatie) en de tumor wordt geëvalueerd en opgemeten (grootte, stevigheid, beweeglijkheid, vastzittendheid).

Dit onderzoek wordt systematisch gedaan om elke abnormaliteit, al dan niet gerelateerd aan de tumor, in het lichaam te ontdekken. Dit onderzoek wordt uitgevoerd met minimaal ongemak voor uw dier.

Echografie

Bij dit onderzoek wordt met een toestel gewerkt, dat geluidsgolven uitzendt. De geluidsgolven worden via een sonde uitgezonden en de golven weerkaatsen op de verschillende oppervlakken van de inwendige organen. De mate van terugkaatsing wordt geregistreerd in het toestel en omgezet in een zwart-wit beeld. De meeste mensen kennen het echografie toestel vanuit de gynaecologie: hiermee worden de embryo’s van zwangere vrouwen nagekeken.

Bij het stageren gebruiken wij de echo vooral om in de buik te kijken:

  • Is er vocht / bloed / etter aanwezig in de buik?
  • Zijn de lever en milt vergroot?
  • Zijn er uitzaaiingen in de lever/milt/lymfeklieren zichtbaar?
  • In geval van een tumor in de buik: is de oorsprong te achterhalen en hoe groot is het?

Echografie wordt soms ook op het hart gebruikt om de hartfunctie te beoordelen. Dit kan noodzakelijk zijn als er tijdens het algemeen klinisch onderzoek een bijgeruis of aritmie gehoord werd, of als er met bepaalde chemotherapeutica gewerkt gaat worden.Meestal kan dit onderzoek zonder verdoving plaats vinden. Soms kan het echter nodig zijn om een dier lichtjes te sederen.

Endoscopie

Een endoscoop is een toestel dat bestaat uit een lange, dunne flexibele slang met aan de binnenzijde glasvezelkabels: via deze kabels kan een videobeeld zichtbaar gemaakt worden op een beeldscherm. Voor onderzoeken in bijv. de neus, blaas, oor wordt gebruik gemaakt van een rigide (stijve, niet flexibele, rechte) endoscoop.

Dit onderzoek wordt gebruikt om via lichaamsopeningen te gaan kijken binnenin en om eventueel via deze weg biopten te nemen. Het dier wordt hiervoor echter wel onder volledige verdoving gebracht.

Ook kan endoscopie voor zowel diagnostische als chirurgische doeleinden gebruikt worden in de buik- en borstholte (laparascopie, thoracoscopie).

Radiografie

Hierbij worden röntgenstralen door uw dier gebracht en deze worden digitaal op een gevoelige film vastgelegd. Dit levert een foto op in zwart-wit en grijze tinten.

Röntgenfoto’s worden genomen van o.a. de longen (meestal in drie richtingen om te zoeken naar metastasen), van bot (bijv. een bottumor, of een uitzaaiing in het bot), de schedel en neus en van de buik.

De foto toont een röntgeopname van een hond met longmetastasen die 5 jaar voordien werd behandeld voor een osteosarcoma van de voorpoot dmv pootamputatie en chemotherapie.

Bloedonderzoek

Een eerste bloedonderzoek wordt gedaan om de funktie van het beenmerg te beoordelen, er wordt gekeken naar het calciumgehalte (veel kwaadaardige tumoren zorgen ervoor dat kalk aan het bot wordt onttrokken en een te hoog gehalte aan calcium in het bloed kan zorgen voor krampen in spieren, hartritmestoornissen en schade aan de nieren), er wordt gekeken naar de lever- en nierfunktie. Bij katten worden ook de retrovirussen (FIV en FeLV) uitgesloten.

Bovendien wordt een bloedonderzoek vóór elke chemo herhaald om de funktie van het beenmerg te controleren.
Soms zijn meer speciefieke testen nodig.

Beenmergpunctie

Hierbij wordt een grote, dikke naald tot in het bot gebracht en wordt een deel van het merg eruitgezogen: dit wordt op een glaasjes aangebracht en opgestuurd naar een labo.

De beoordeling van het beenmerg is belangrijk om het stadium van de ziekte te bepalen (veel tumoren zaaien in een eindfase uit naar het beenmerg). Ook kan een beenmergpunctie essentieel zijn om bepaalde beenmergtumoren (vroegtijdig) te diagnosticeren (bijv. multipel myeloom, leukemie).

CT- of MRI-scan

Bij een CT-scan worden dmv computertechnologie en röntgenstralen dwarsdoorsneden gemaakt van het lichaam: zo kan gekeken worden hoe uitgebreid een tumor is en of het in de omliggende weefsels groeit (bijvoorbeeld een fibrosarcoom bij de kat). Deze techniek is zeer geschikt voor het analyseren van beenderige strukturen en weke delen. Bovendien is deze techniek noodzakelijk om bepaalde tumoren zichtbaar te maken, bijv. hersentumoren en voor tumoren op moeilijk te bereiken plaatsen (bijv. in longen of bekkenholte).

Bij Magnetic resonance imaging (MRI) worden radiogolven en een sterk magnetisch veld gebruikt ipv röntgenstralen. Deze techniek is meer geschikt voor tumoren in weke delen en hersenen.

Scinitigrafie

Bij dit onderzoek wordt een kleine hoeveelheid van een radio-actieve stof bij uw dier ingebracht. De radio-actieve stof is niet gevaarlijk. De gebruikte radioactiviviteit ligt in de orde van grootte van de klassieke radiologische onderzoeken, met dit verschil, dat door middel van één enkel onderzoek vaak het ganse lichaam zonder bijkomende stralingsbelasting in 20 tot 30 minuten kan onderzocht worden. De radioactieve stof in het lichaam zendt straling uit die met behulp van een speciale camera (scintillatie-camera of gamma-camera) gemeten kan worden.

Deze techniek is dus heel goed om metastasen op te sporen. Bovendien kan het gebruikt worden bij katten met een overactieve schildklier (zowel diagnostisch als therapeutisch).

Dit onderzoek gebeurt (na doorverwijzing) aan de Universiteit van Gent, dienst Medische Beeldvorming door dr. Eva Vandermeulen.

Aspiratie, bioptie van een tumor

Een aspiratie of biopsie van een tumor wordt gedaan om het type tumor te bepalen. Deze fase noemen wij het ‘typeren’ van de tumor.

Er bestaan verschillende technieken:

Dunne naald aspiratie biopt (DNAB)

Deze techniek wordt meestal het eerst gebruikt. Hierbij wordt een dun naaldje in de tumor (of lymfeklier, lever, milt, long...) aangebracht en worden er enkele cellen opgezogen. Deze cellen worden daarna op een glaasje aangebracht en rechtstreeks (na kleuring) onder een microscoop bekeken (dit wordt ‘cytologie’ genoemd): dit leidt niet altijd tot een exacte diagnose maar kan zeer waardevolle informatie opleveren.

Deze techniek is (bijna) altijd zonder risico voor de patiënt en wordt door de patiënt niet als belastend ervaren. Bovendien is de kans op metastasering van de tumor door deze techniek verwaarloosbaar.

Afdrukpreparaat

Als een tumor oppervlakkig ligt (bijv. in de mondholte) en/of geulcereerd is (‘hij ligt open’) kan een afdruk gemaakt worden op een glaasje en deze afdruk kan net als bij de voorgaande techniek onder de microscoop bekeken worden.

Catheter-zuigbiopt

Deze techniek wordt gebruikt voor het nemen van biopten van weefsels die zich bevinden op moeilijk te bereiken plaatsen, zoals de neusholte en de urethra (plasbuis): hierbij wordt een plastieken holle buis ingebracht met aan het uiteinde een uitsparing. Deze uitsparing wordt over de tumor aangebracht (eventueel onder echobegeleiding) en door zuigkracht van een injectiespuit wordt een stukje weefsel genomen (het zgn. histologisch biopt) dat naar het labo wordt gestuurd.

Dikke naald biopt

Hiervoor bestaan verschillende apparaten. In principe wordt hier een klein (buisvormig) stukje weefsel uit de tumor (of lymfeklier, lever, milt...) gehaald en dit wordt in zijn geheel opgestuurd naar het labo. Verschil met de DNAB is dat hier duidelijk de struktuur van de tumor kan worden nagezien. Histologisch onderzoek (uitgevoerd in een labo door een specialist, een zgn. patholoog) leidt normaliter altijd tot een diagnose.

Incisie biopt

Hierbij wordt een deel van de tumor (meestal aan de rand) samen met een deel van het aanpalende, normale weefsel chirurgisch verwijderd.

Excisie biopt

Hierbij wordt de tumor in zijn geheel verwijderd en volledig opgestuurd.

De behandeling van een tumorpatiënt is in de afgelopen decennia uitgegroeid tot een ‘multimodality therapy’: op een rationele wijze wordt gebruik gemaakt van de beste behandelingsmogelijkheden die er zijn. Vaak wordt daarbij dus gebruik gemaakt van meerdere therapieën om de effectiviteit van de behandeling te verhogen.

De meeste gebruikte therapieën zijn: chirurgie, chemotherapie en bestraling. Andere, minder vaak gebruikte therapieën zijn: hormonale therapie, immunotherapie / gentherapie, cryochirurgie, foto-dynamische therapie.

Chirurgie

Chirurgie is en blijft de hoeksteen van de veterinaire oncologie. Chirurgie kan alleen worden toegepast, maar kan ook in combinatie worden gebruikt met andere therapieën, zoals bijvoorbeeld bij een fibrosarcoom van een kat: eerst opereren en post-chirurgische bestraling.

De rol van een goede chirurg is zeer belangrijk: chirurgie biedt immers een direct resultaat, is niet kankerverwekkend, is minder immunosuppressief (onderdrukt de weerstand minder) dan andere therapieën en is zeer effectief voor grote, gelokaliseerde tumoren. Daarentegen kan chirurgie meer schade berokkenen dan goed doen, als het verkeerdelijk wordt toegepast: daarom is het belangrijk om vóóraf het biologisch gedrag van de tumor te weten:

  • Hierdoor wordt ‘treatment failure’ voorkomen door vroegtijdig metastaseren
  • Het type resectie kan bepaald worden, bijvoorbeeld
    • Mastceltumor: deze moeten verwijderd worden met een marge van 2 à 3 cm
    • Plaveiselcelcarcinoom (minder infiltratief): kleinere chirurgische marge noodzakelijk
  • Eventueel gebruik van aanvullende therapieën
  • Anticiperen van de prognose na chirurgie
  • Bepalen van andere bijkomende ziekten: bepalen van het risico (bijvoorbeeld het anesthesierisico bij een hartpatiënt)

Bovendien moet de chirurg een uitgebreide kennis hebben van reconstruktietechnieken, huidflappen en transplantaties:

  • Hierdoor kunnen tumoren wijder worden verwijderd
  • Minder morbiditeit en uiteindelijk ook minder mortaliteit
  • Minder kans op compromissen waardoor de tumor marginaal verwijderd wordt (en dus onsuccesvol)

De dierenartsen die zich binnen dierenkliniek Randstad vooral bezig houden met chirurgie zijn Dr. Geert Verhoeven, Dr. Ruth Fortrie en Dr. Frederik Weekers.
Dr. Geert Verhoeven is een Europees erkend specialist chirurgie (ECVS: European College of Veterinary Surgeons) evenals dr. Ruth Fortrie.

Rottweiler met een kwaadaardige bindweefsel tumor (fibrosarcoom) van de bovenlip:

Chemotherapie

Over deze therapie bestaat binnen de diergeneeskunde de meeste controverse, vooral ivm de bijwerkingen.Belangrijk is om te realiseren dat niet alle tumoren gevoelig zijn voor chemotherapeutica en dat chemotherapie dus ook niet moet beschouwd worden als een wondermiddel. Bovendien kunnen de kosten oplopen tot enkele duizenden euro’s per jaar en zal iedere eigenaar voor zichzelf moeten uitmaken of deze uitgaven voor hem haalbaar zijn.

Indicaties voor chemotherapie:

  • Hematopoiëtische tumoren, bijv. maligne lymfoom, multiple myeloom, bepaalde vormen van leukemie
  • Tumoren waarbij na chirurgische verwijdering vrijwel zeker nog (micro)meta’s aanwezig zijn, bijv. osteosarcoom
  • Tumoren die niet chirurgisch te verwijderen zijn, maar wel kunnen reageren op chemotherapie, bijv. hersentumoren
  • Pre-operatieve verkleining van grote tumoren, bijv. peri-anale adenocarcinomen
  • Radiosensibilisatie van tumoren, bijv. fibrosarcoom, osteosarcoom
  • Palliatieve behandeling van grote of pijnlijke tumoren, bijv. overgangsepitheelcarcinoom van de blaashals

Chemotherapeutica zijn medicamenten die de celdeling remmen (vandaar de naam ‘cytostatica’), bijv. door het binden aan het DNA. Zij remmen dus niet alleen de celdeling van tumorale cellen maar ook van normale (sneldelende) weefsels: hieruit vloeien de meeste complicaties voort. Om te voorkomen dat ook het normale weefsel volledig wordt vernietigd door de chemotherapie, wordt de chemo slechts pulsgewijs gegeven: vlak na de chemo wordt zowel normaal als tumoraal weefsel vernietigd, maar in de periode die erop volgt, herstelt het normale weefsel zich weer.

Bijwerkingen

Veel eigenaren staan zeer negatief tegenover chemotherapie omdat dit bij hen een beeld oproept van een doodziek, brakend en kaal dier. Bovendien hebben veel mensen al ervaringen met chemotherapie (bij mensen) uit hun directe omgeving.

Over het algemeen is het onze ervaring dat dieren minimale bijwekingen vertonen (veel minder dan bij de mens!), sommigen hebben zelfs meer energie en een verbeterde eetlust. De kwaliteit van het leven moet gewaarborgd blijven en dus zullen de meeste bijwerkingen, zoals die bij de mens bekend zijn, onacceptabel zijn en worden de cytostatica gebruikt in een aangepaste dosis. Hierdoor is genezing niet altijd reëel, maar kan het leven wel op een verantwoorde manier voortgezet worden.

Wij gebruiken chemotherapeutica wegens hun werking en niet vanwege hun bijwerkingen!

De meeste bijwerkingen ontstaan door aantasting van normale, snel delende cellen; deze kunnen dan ook in drie hoofdgroepen verdeeld worden:

  1. Aantasting van het beenmerg (myelosuppressie): in het beenmerg zijn de stamcellen van drie celgroepen (rode bloedcellen, witte bloedcellen en de bloedplaatjes) met elk hun specifieke bijwerkingen.
  2. Aantasting van het maag-darmslijmvlies: de meest bekende en gevreesde bijwerkingen zijn braken en diarree. Deze bijwerkingen zijn over het algemeen zeer mild en kunnen gewoonlijk zeer goed onder controle gehouden worden met medicatie (primperan, cerenia, zofran). Meestal zijn de dieren niet ziek, maar zijn ze enkele dagen na de chemo wat rustiger en hebben ze soms een minder goede eetlust.
    Zeer zelden moet een dier gehospitaliseerd worden omdat het braken niet onder controle te krijgen is met de klassieke medicatie.
  3. Aantasting van de haarzakjes (alopecie): haarverlies is ongewoon bij onze huisdieren, behalve bij de zgn. ‘trimrassen’, zoals poedels, bouviers. Zij zullen gewoonlijk niet volledig kaal worden, maar de ondervacht verdwijnt waardoor de vacht erg uitdunt. Dit blijkt overigens voor alle eigenaren een acceptabel feit. Bovendien zijn de meeste eigenaars zeer vindingrijk in het oplossen van dit ‘probleem’.
    Katten verliezen over het algemeen niet hun haar, maar kunnen wel hun snorharen verliezen.Snorharen en vacht groeien gewoon terug na het stopzetten van de chemotherapie.

Andere bijwerkingen die gezien worden bij chemotherapie zijn het gevolg van de eigenschappen van de produkten zelf:

  1. Extravasatie (het lekken van de chemotherapeutica naast het bloedvat): bepaalde chemotherapeutica moeten stikt intraveneus gegeven worden; als dit niet gebeurt, kan dit tot gevolg hebben dat de huid en omliggende weefsel afsterft. Dit wordt o.a. gezien bij doxorubicine, vincristine en vinblastine.
  2. Cardiotoxiciteit (toxisch voor het hart): bepaalde rassen (boxer, dobermann, bouvier, cavalier king charles spaniel...) zijn gevoelig voor het ontstaan van hartproblemen: deze moeten dan bij het gebruik van bepaalde chemotherapeutica (doxorubicine) regelmatig onderzocht worden dmv echografie (echocardiografie) door een cardioloog: in dierenkliniek Randstad staat Dr. Stepahne Albers samen met Dr. Ellen Van Tilburg in voor de cardiologie.
  3. Nefrotoxiciteit (toxisch voor de nieren): regelmatig bloedonderzoek en nakijken van de nierfunktie bij bepaalde produkten (carboplatine) en zelfs een geforceerde diurese bij gebruik van andere produkten (cisplatine)
  4. Hemorrhagische cystitis: bloederige, steriele blaasontsteking bij de hond bij bepaalde chemotherapeutica (endoxan): om problemen te voorkomen worden deze produkten 's morgens gegeven en worden de dieren gelijktijdig behandeld met prednisolone of diuretica. De dieren moeten die dag om de 2 uur buiten gelaten worden zodat de irriterende uitscheidingsprodukten niet te lang in de blaas kunnen blijven zitten.
  5. Longfibrose / longoedeem: bepaalde chemotherapeutica kunnen bij de kat een acuut longoedeem en sterfte veroorzaken (cisplatin) en mogen dus niet gebruikt worden in deze diersoort. Andere chemotherapeutica kunnen op lange termijn longfibrose geven (lomustine).
  6. Neurotoxiciteit: wordt zelden waargenomen bij dieren itt mensen. Het kan voorkomen na gebruik van o.a. vincristine en vinblastine.

Omwille van de bijwerkingen is onze kliniek voor alle chemopatiënten 24/24 en 7/7 bereikbaar.

Veiligheid speelt een belangrijke rol binnen onze kliniek en dus is er ook veel tijd en geld in geïnvesteerd.

  • Voor onszelf maken wij gebruik van speciale chemohandschoenen, bereiden wij de chemo voor in speciaal daarvoor bestemde kasten, wordt gebruik gemaakt van speciale gesloten spuiten en naalden en wordt al het afval verwerkt als gevaarlijk chemisch afval.
  • Wij zullen geen dieren behandelen die tijdens hun ‘uitscheidingsperiode’ niet weggehouden worden bij zwangere vrouwen, jonge kinderen en jonge dieren. Wij willen niet de verantwoordelijkheid dragen voor eventuele ongevallen.
  • Uitgebreide informatie wordt na elke behandeling gegeven aan de eigenaar betreffende de te verstrekken medicatie en omgang met excreta.
  • Verdere informatie kan u nalezen in ons veiligheidsprotocol.

Telkens na een behandeling met chemotherapeutica, zal uw dier deze producten uitscheiden. Helaas is hierover binnen de diergeneeskunde (nog) geen onderzoek gedaan. Daarom gebruiken wij de excretietijden die voor de mens worden gebruikt.

Hoewel wij aanraden om altijd een goede hygiëne te handhaven als u met uw (ziek) dier omgaat, kunt u best extra voorzorgsmaatregelen nemen wat betreft urine, ontlasting, braaksel, bloed en speeksel gedurende de excretieperiode zoals hierboven aangegeven. Meer informatie hieromtrent vind u in ons veiligheidsprotocol.

Bestraling

Radiotherapie is de behandeling met ioniserende straling die kan bestaan uit elektro-magnetische golven (röntgen- of gammastralen) of deeltjes (elektronen, protonen en neutronen).De eenheid van bestraling is de Gray (Gy).

Er zijn verschillende soorten bestralingsapparatuur:

  • Orthovoltage apparaten: deze apparaten produceren röntgenstralen met een relatief lage energie, waardoor ze niet diep in de weefsels kunnen penetreren. Deze apparaten worden gebruikt voor processen die oppervlakkig gelegen zijn (zoals in de huid of op slijmvliezen).
  • Megavoltage apparaten: deze apparaten produceren fotonen of elektronen met een hoge energiewaarde waardoor hun maximale energieniveau op ongeveer 0.5 – 1 cm onder de huid gelegen is: deze zijn dus uitermate geschikt voor processen van dieper gelegen weefsels en hebben een huidsparend effect.
    Er zijn verschillende soorten van megavoltage apparaten: lineaire versnellers, Cobalt60 apparaten en protonbestraling.
  • Brachytherapie: hierbij wordt, in het te behandelen gebied, radioactief Iridium192 geimplanteerd onder de vorm van naalden of nylondraadjes met Iridium-‘zaadjes’. Ir192 heeft een halfwaardetijd van 74.2 dagen en de vrijkomende straling bestaat uit gammastraling met een energie van gemiddeld 370 keV. Op een afstand van 5 mm van de naald is het stralingsniveau te verwaarlozen voor de weefsels in de direct omgeving, waardoor deze vorm van behandeling zich uitstekend leent voor lokaties die moeilijk te benaderen zijn voor andere vormen van radiotherapie door de sterke radiosensiviteit van o.a. het oog, de longen en de darmen (wordt bijvoorbeeld gebruikt voor tumoren dicht bij het oog, in de tong of op de borstwand).De behandelingsduur is gemiddeld 7-10 dagen waarbij opname en isolatie van de dieren een strikte vereiste is ivm het cumulatieve effect van de vrijkomende straling op de omgeving.
  • Mmetabole radiotherapie:deze methode wordt gebruikt voor de behandeling van schildklieradenomen bij de kat met radioactief Iodium131. Het Iodium wordt onderhuids toegediend en wordt opgenomen in het schildkleirweefsel. Hierbij komen gammastralen vrij en wordt het tumorweefsel vernietigd. Ook hierbij is een korte hospitalisatie noodzakelijk.

Orthovoltage behandeling is mogelijk bij een beperkt aantal praktijken in Nederland (een lijst kunt u vinden op www.kankerbijdieren.nl)Bestraling met een lineaire versneller is mogelijk in het Centre Cancerologie Veterinair in Parijs (Frankrijk), het Kantonales Tierspital in Zürich (Zwitserland), Tierklinik Hofheim in Hofheim (Duitsland) en aan de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht (Nederland). Metabole radiotherapie is mogelijk aan de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit van Gent (vakgroep Medische Beeldvorming).

Voor bestraling in aanmerking komende tumoren zijn:

  • Mastocytomen
  • (orale) Maligne melanoma
  • Acanthomateuze epuliden
  • Tumoren in kop/halsgebied na onvolledige chirurgische verwijdering
  • Hersentumoren, eventueel in combinatie met chirurgie en/of chemotherapie
  • Sterk gelokaliseerde lymfomen en andere rondcellige tumoren, bijvoorbeeld plasmaceltumor
  • Osteosarcomen, zowel palliatief (als pijnstillende therapie) als curatief in combinatie met pootsparende chirurgie
  • Tumoren in de neusholte, vaak na voorafgaande chirurgie
  • Tumoren rond de anus
  • Likgranulomen
  • Therapie resistente granulomateuze meningo-encephalitits.

Richtprijzen voor radiotherapie zijn:

  • Palliatieve bestralingen: € 1500
  • Curatieve bestralingen: € 2500-3000

Borstkankerpreventie

Eén op vier teven zal in de loop van haar leven borstkanker ontwikkelen. In 50% van de gevallen gaat het om kwaadaardige tumoren. Bij kattinnen is dit zelfs 80%!

Het risico op borstkanker kan dramatisch worden gereduceerd door vroegtijdige sterilisatie: door sterilisatie vóór de eerste loopsheid wordt het risico teruggebracht tot 0.08%, bij sterilisatie tussen de eerste en tweede loopsheid is het risico reeds 8% en na de tweede loopsheid 25%!

De eerste loopsheid kan optreden vanaf 6 maanden leeftijd, dus adviseren wij de sterilisatie te laten uitvoeren op 5 maanden leeftijd.
Kattinnen worden gesteriliseerd vanaf 5-6 maanden leeftijd.

Het gebruik van de (prik)pil wordt ontegenzeggelijk afgeraden: het verhoogt niet alleen het risico op borstkanker, maar ook op baarmoederontstekingen, diabetes en beenmergsuppressie.

Het fabeltje dat een teef of kattin eerst een nestje moet hebben gehad is onjuist!

Prostaatkanker bij de Bouvier

Zoals hoger beschreven, werkt het niet castreren beschermend tegen de ontwikkeling van prostaatkanker. De Bouvier is een ras die blijkbaar nog gevoeliger is voor het ontwikkelen van prostaatkanker.

Het castreren wordt daarom afgeraden, tenzij het om bepaalde redenen noodzakelijk is, zoals teelbalkanker, prostaathypertrofie, prostaatcysten, gedragsproblemen.

Teelbalkanker bij cryptorchidie

Onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat een niet-ingedaalde teelbal een verhoogd risico heeft op het ontwikkelen van tumor.

Aangeraden wordt om zo’n teelbal vroegtijdig chirurgisch te verwijderen.

Blaashalskanker bij de Schotse Terriër

De Schotse Terriër heeft in vergelijking met andere rassen een 18-voudig risico op het ontwikkelen van overgangsepitheelcarcinoom van de blaashals. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat dit risico nog eens verdubbelt na gebruik van herbiciden en sommige insecticiden. Voorzichtigheid is dus geboden bij het gebruik van deze produkten in en rondom het huis.

Plaveiselcelcarcinoom oorranden van de kat

Plaveiselcelcarcinomen van de oorranden van de kat kan voorkomen worden door enerzijds te voorkomen dat het dier tijdens de warmste preiodes van de dag niet buitenkomt (en dus niet blootgesteld wordt aan de UV-bestraling).

Anderzijds kan men de ongepigmenteerde, weinig behaarde oorranden beschermen door middel van het gebruik van een zonnebrandcrème met een hoge beschermingsfactor.

Vaccine-associated fibrosarcoma’s bij de kat

Bij de kat kan op de plaats van een inenting of een andere injectie met een langwerkend produkt (bijvoorbeeld bepaalde antibiotica of corticosteroiden) een tumor ontstaan, een zogenaamde fibrosarcoma. Deze kunnen zich ontwikkelen na gebruik van voornamelijk ‘geinactiveerde’ vaccins, zoals hondsdolheid. Geadviseerd wordt om slechts tegen die ziekten te vaccineren waarvoor het dier een verhoogd risico loopt (bijvoorbeeld een dier dat buitenloopt in een regio waar een verhoogd risico is op het oplopen van FeLV-virus, wordt best gevaccineerd). Ook wordt het aangeraden om op bepaalde lokaties niet te vaccineren (zoals in de nekplooi) omdat het verwijderen van een eventuele tumor op deze plaats voor moeilijkheden kan zorgen.

Baarmoederkanker bij het konijn

Voedsters zijn op oudere leeftijd (50-80% boven de 4 jaar leeftijd) gevoeliger aan het ontwikkelen van adenocarcinomen van de baarmoeder: als preventieve maatregel wordt een ovariohysterectomie aangeraden vóór de leeftijd van 2 jaar.

85% van alle bottumoren bij de hond zijn osteosarcomen. Meestal (75%) komen deze tumoren voor in het zogenaamd appendiculair skelet (de ledematen). Deze tumoren zijn zeer kwaadaardig. Ze kunnen ook voorkomen op andere plaatsen, zoals de schedel, rug en bekken en in heel zeldzame gevallen zelfs buiten het skelet (zoals in de melkklieren, milt, darm..).

Pathologie

Het is een tumor die vooral gezien wordt bij grote honden en reuzenrassen (Ierse Wolfshond, Duitse dog, Rottweiler, Sint Bernard, Dobermann, Duitse Herder en Golden Retriever), maar kan ook voorkomen bij kleinere honden.Het treft vooral honden van middelbare en oudere leeftijd (gemiddeld rond de 7 jaar).

De tumor komt het meest voor in de ledematen en wordt 2x meer gezien in de voorpoot dan in de achterpoot. We zien de tumor ook vooral voorkomen op bepaalde plaatsen in de botten, zoals aangegeven in de figuur.

De oorzaak is niet echt gekend, maar een genetische oorzaak ligt mogelijks aan de basis. Ook zou een snelle botontwikkeling tijdens de jeugd en stress op het bot door een snelle gewichtstoename leiden tot microscopisch kleine breukjes in het bot, dat later ontwikkelt tot een tumor.

Klinische symptomen

De meeste dieren worden aangeboden wegens manken en pijn: dit komt door kleine scheurtjes in het bot en beenvlies. Soms heeft het dier zelfs een gebroken poot door aantasting van het bot door de tumor (een zogenaamde pathologische fractuur). Vaak (maar niet altijd) kan er ook lokaal een zwelling aanwezig zijn.

Diagnose

Indien het vermoeden bestaat van een bottumor, zal er in eerste instantie een radiografie genomen worden. Hierop kan de dierenarts meestal reeds een vermoedelijke diagnose stellen omwille van veranderingen die in het bot aanwezig zijn, zoals: ontkalking van het bot, verdikking van het beenvlies en erge zwelling van de weefsels rondom het bot.

Ook kan er een CT genomen worden: in een heel vroeg stadium van de ziekte is het soms moeilijk om de botontkalking te zien en is een CT veel gevoeliger om letsels in het bot op te sporen. Verdere diagnostiek is eventueel een botbiopt, zeker indien er twijfel bestaat of het werkelijk een kwaadaardige bottumor is. Verder zal de dierenarts voorstellen om een ‘metastasenonderzoek’ te doen: dit houdt in dat er gekeken wordt of de tumor al verspreid is naar andere delen van het lichaam – dit is vooral bij deze tumoren belangrijk aangezien >90% van de honden sterft aan metastasen. Hiervoor zijn verschillende onderzoekstechnieken mogelijk:

  1. Radiologie of CT van de borstkas: opsporen van longmetastasen
  2. Echo van de buik: lokale metastasen naar lymfeklieren en inwendige organen (zoals lever en milt) opsporen
  3. Punktie of biopten van lokale lymfeklieren
  4. Scintigrafie: met behulp van een radioactief middel dat wordt ingespoten en ‘gevolgd’ met een speciale camera kan gezocht worden naar moeilijk vindbare metastasen.

Behandeling

Pijnstilling is zeer moeilijk bij deze tumoren en zal uit een combinatie bestaan van ontstekingsremmers en morfine-preparaten. Ook is bestraling een optie en zal met 3 bestralingen bij >70% van de patiënten voor adequate pijnbestrijding zorgen gedurende 2 maanden. In principe zal de ‘primaire’ tumor chirurgisch behandeld worden, voor zover dat mogelijk is (dit is bijvoorbeeld op de schedel of in het wervelkanaal niet altijd mogelijk). Bij een voor- of achterpoot resulteert dit in een pootamputatie. Een pootamputatie is ook mogelijk bij grotere honden. Voorwaarde is wel dat het dier nog 3 gezonde poten overhoudt, want hij moet hier mee verder.

Ook bestaat er, in heel specifieke gevallen, de mogelijkheid voor een ‘pootsparende’ operatie, bijvoorbeeld een tumor van de onderpoot. Na chirurgie, zal altijd chemo worden aangeraden, aangezien deze tumoren zo vaak uitzaaien: dit heeft tot doel de overlevingsperiode te verlengen. Genezing is echter zeer zeldzaam bij een osteosarcoma.

Prognose

Indien geen operatie wordt gedaan, en enkel palliatieve pijnbestrijding, is de te verwachte overlevingstijd 2,5 maand. Indien radiotherapie wordt gedaan, ligt de verwachting rond 4 maanden.Indien een pootamputatie wordt gedaan is de overlevingstijd gemiddeld 4,3 maanden en overleeft 12% 1 jaar en 2% 2jaar. Indien een operatie gecombineerd wordt met chemo is de gemiddelde overlevingstijd 10-11 maanden en overleeft 35- 50% 1 jaar en 20-28% 2 jaar.

Een pootamputatie is dus een effectieve manier om de pijn te bestrijden, maar een echte verlenging van het leven bekomt men enkel door ook chemotherapie te geven aan de hond.

Wat zijn mastcellen?

Een normale mastcel maakt in ons lichaam onderdeel uit van ons afweersysteem. In het bijzonder tegen parasieten (dit in tegenstelling tot virussen en bacteriën). Ze zijn dan ook voornamelijk terug te vinden in de weefsels die grenzen aan de buitenwereld, zoals onze huid, ademhalingsstelsel en verteringsstelsel. Mastcellen circuleren niet in ons bloed zoals andere afweercellen.

Een mastcel bevat een groot aantal granules, die ontstekingsstoffen bevatten, zoals histamine en heparine. Als een mastcel in contact komt met een parasiet, zal hij deze giftige stoffen uit zijn granules vrijlaten: deze stoffen zijn schadelijk voor de parasiet en bovendien waarschuwen ze de andere afweercellen in ons lichaam dat er een strijd aan de gang is, opdat deze kunnen komen helpen.

Deze cellen kunnen dus ook ontaarden in tumorcellen en groeperen tot mastceltumoren (of mastocytoma). Deze cellen zijn onstabiel en kunnen bij de minste prikkeling (en dus niet alleen bij contact met een parasiet) hun granules vrijlaten.

Voorkomen

Mastceltumoren (MCTs) zijn de meest voorkomende huidtumoren bij de hond (16-21%). Deze tumoren worden vooral gezien bij honden van middelbare leeftijd, maar zijn beschreven bij dieren van 3 weken tot 19 jaar!

Zij kunnen voorkomen bij alle rassen, maar een aantal rassen zijn er erg gevoelig aan, zoals Boxers, Staffordshire Bull Terriërs, Labradors, Golden Retrievers, Mopshonden, Weimaraners, Shar Pei’s, Boston Terriërs, Beagles en Schnauzers.

Hoewel Boxers een verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van MCTs (zij vertegenwoordigen bijna de helft van alle honden met MCTs!), hebben zij over het algemeen de beter gedifferentieerde vorm en hebben daarbij ook een gunstigere prognose. Shar Pei’s daarentegen hebben vaker agressievere vormen.

Een mastcel bevat een groot aantal granules, die ontstekingsstoffen bevatten, zoals histamine en heparine. Als een mastcel in contact komt met een parasiet, zal hij deze giftige stoffen uit zijn granules vrijlaten: deze stoffen zijn schadelijk voor de parasiet en bovendien waarschuwen ze de andere afweercellen in ons lichaam dat er een strijd aan de gang is, opdat deze kunnen komen helpen.

Pathologie

Er is een grote variatie in de histologische graad van deze tumoren en studies hebben uitgewezen dat deze graad belangrijk is voor het gedrag van de tumor en het klinisch verloop.

Klassiek worden de tumoren onderverdeeld in 3 groepen: goed-gedifferentieerd (graad 1), intermediair (graad 2) en anaplastisch of ongedifferentieerd (graad 3).

Ook bepaalt de graad hoe snel een mastceltumor zal uitzaaien: een goed-gedifferentieerde tumor zal maar in 10% van de gevallen uitzaaien, terwijl een ongedifferentieerde tumor uitzaait in 55-96% van de gevallen.

Een patholoog zal behalve de graad, nog andere parameters nakijken, zoals de mitoseindex en bepaalde markers, en of de tumor volledig verwijderd is tijdens de operatie. Al deze parameters helpen de dierenarts om te bepalen of uw dier nabehandeld moet worden of niet.

Het ‘gedrag’ van de tumor

De overgrote meerderheid zal eerst uitzaaien naar de lokale lymfeklieren, en daarna naar lever en milt. Andere organen kunnen ook betrokken zijn, maar longuitzaaiingen zijn erg zeldzaam.

Tumorale mastcellen kunnen teruggevonden worden in het bloed of beenmerg als de tumor erg verspreid is in het lichaam: dit wordt vooral gezien bij ongedifferentieerde MCTs in de inwendige organen.

Er kunnen tevens complicaties optreden als gevolg van het loslaten van de actieve stoffen die opgeslagen liggen in de granules: maagdarmzweren worden vaak gezien: in 35-83% van de gevallen. Stollingsstoornissen kunnen voorkomen na vrijlating van heparine. Ook een vertraagde wondheling, na het verwijderen van een MCT, wordt gezien.

Klinische symptomen

MCTs staan bekend als ‘the great pretender’, omdat ze eender welke vorm kunnen aannemen: ieder bultje in of op de huid is dus verdacht totdat het tegendeel bewezen is! Zo kunnen MCTs soms verkeerdelijk worden aanzien als een vetgezwel. En dus is het belangrijk om elk huidgezwel (ook al is hij klein of loszittend) te laten nakijken door middel van een punktie!

Meestal zijn deze tumoren solitair, maar in 11-14% van de gevallen kunnen er meerdere tumoren gelijktijdig voorkomen.
Goed-gedifferentieerde tumoren zijn over het algemeen solitair, 1-4 cm groot, groeien traag, zijn zelden geulcereerd (maar de hartjes op die plaats zijn wel vaak verdwenen) en zijn vaak al lange tijd aanwezig (soms zelfs al jaren!).
Ongedifferentieerde tumoren daarentegen zijn snel-groeiende gezwellen, kunnen erg groot zijn, zijn meestal geulcereerd en veroorzaken irritatie. Vaak zijn de omgevende weefsels ook ontstoken en oedemateus en kunnen er ‘satelliet knobbels’ aanwezig zijn.

MCTs worden meestal gezien op de flanken (50-60%), kunnen voorkomen op de poten (25%) en hoofd en nek: erg zelden komen ze ook voor op andere plaatsen zoals de oogslijmvliezen, speekselklieren, neusholte, keelholte en mondholte.

Honden met MCTs kunnen complicerende klinische symptomen hebben zoals gevolg van de vrijlating van de actieve stoffen uit de granules (zoals histamine en heparine):

  • ‘Wheal and flare’ reaktie (Darier’s sign): het kan lijken alsof de MCT toeneemt in grootte en plots weer kan verdwijnen, om vervolgens weer te verschijnen. Dit wordt veroorzaakt door de vrijlating van histamine (dit geeft een lokale zwelling) en heparine (dit geeft een lokale bloeding)
  • Maagdarmzweren (zoals hoger beschreven) als gevolg van histamine vrijlating: dit geeft braken (soms met bloed bij), niet meer eten, diarree, zwarte stoelgang (melena) en buikpijn.

Prognose

  • Histologische graad: de belangrijkste prognostische factor. De overgrote meerderheid van honden met goed-gedifferentieerde tumoren (80-90%) en ongeveer 60-75% van de honden met intermediaire tumoren zijn lange overlevers na volledige chirurgische verwijdering van de tumor. Honden met ongedifferentieerde tumoren sterven vaak binnen 6 maanden na chirurgie door terugkomen van de tumor of door uitzaaiingen.
  • Mitoseindex: als de mitoseindex < 5, is de gemiddelde overlevingstijd na adequate chirurgie meer dan 5 jaar. Indien de mitoseindex > 5, ligt de gemiddelde overlevingstijd rond de 6 maanden.
  • Lokalisatie van de tumor: tumoren die voorkomen aan de voorhuid (peripreputiaal), in de liezen (inguinaal), aan het nagelbed (subunguaal), rond de anus (perianaal), in de mondholte (oraal) en op andere slijmvlies-huidovergangen hebben een slechtere prognose. Bij aantasting van inwendige organen of het beenmerg is er sprake van een zeer slechte prognose.

Diagnose

De diagnose van een MCT is relatief eenvoudig. De dierenarts kan op consultatie reeds een eenvoudige punktie doen van een gezwelletje en direct de diagnose stellen van MCT. Dit komt omdat, zoals eerder vermeld, de mastcellen vol granules zitten en deze zijn zeer goed te herkennen onder de microscoop (als paars gekleurde bolletjes).

De verdere diagnose (graad, mitoseindex, en andere markers) gebeurt pas in het laboratorium door de patholoog en deze heeft hiervoor de volledige tumor nodig – een biopsie is vaak onvoldoende om een definitieve diagnose te stellen.

Tenzij er negatieve factoren aanwezig zijn (zoals een snelgroeiende tumor, of een ongunstige lokalisatie…), wordt er meestal geen verder onderzoek gedaan – indien ze wel aanwezig zijn, kan dat duiden op een graad 3 tumor en wordt er eerst verder gekeken of er geen uitzaaiingen aanwezig zijn.

Behandeling

De eerste keus behandeling van een MCT is chirurgie. Met chirurgie kunnen de meeste honden met een MCT genezen worden. Indien de dierenarts rekent op chirurgie om uw hond te behandelen, is het dus zeer belangrijk dat de tumor in één keer volledig wordt verwijderd. Deze tumoren presenteren zich als het puntje van de ijsberg: wij zien enkel het topje dat boven de huid uitsteekt, maar onderhuids zijn er nog vele uitlopers aanwezig. Het spreekt voor zich dat deze ook verwijderd moeten worden, want als deze blijven zitten, kan van hieruit een nieuwe tumor aangroeien. Dit houdt in dat er rondom de zichtbare en tastbare tumor een zone van 2-3 cm van normaal uitziend weefsel wordt weggehaald.

Als een tumor niet volledig verwijderd blijkt te zijn, zijn er 2 opties: opnieuw opereren en terug 2-3 cm wegnemen rondom het oude litteken.

Dit is echter nier altijd mogelijk (bijvoorbeeld op de poten): dan kan er radiotherapie uitgevoerd worden: dit geeft vrijwel dezelfde resultaten als chirurgie, maar hier hangt wel een serieus prijskaartje aan vast.

Soms blijk teen tumor zeer agressief te zijn of misschien zelfs al uitgezaaid. In die gevallen zullen we met medicatie (chemotherapie of bepaalde receptorblokkers) proberen uw dier te behandelen.

Wat is lymfeklierkanker?

Lymfeklierkanker (ook wel maligne lymfoma, lymfoma of lymfosarcoma genoemd) is een tumor van bepaalde cellen in ons bloed, de zogenaamde lymfocyten. Lymfocyten zitten overal in ons lichaam: in het bloed, in het beenmerg, in de organen, maar vooral in de lymfeklieren. Zij staan mee in voor onze immuniteit. Deze vorm van kanker kan zich, doordat de cellen overal in ons lichaam zitten, dan ook in allerlei vormen voorkomen. De meest voorkomende vorm bij de hond is de ‘multicentrische’ vorm, waarbij de tumor zich vooral manifesteert in de lymfeklieren en bij de kat zien we vooral de ‘gastrointestinale’ vorm, waarbij de tumor vooral het maagdarmstelsel aantast.

Hond

Voorkomen

Bij de hond tast deze tumor vooral de lymfeklieren aan. Het is een relatief veel voorkomende aandoening en lymfoma tast 13-24/100,000 honden aan per jaar. Bepaalde rassen zijn gevoeliger, zoals de Airdale terrier, Bassett, Boxer, Bulldog, Sint-bernard, Schotse Terrier en Bull Mastiff en komt vooral voor bij honden van middelbare leeftijd (gemiddeld 6-9 jaar). Er is geen gekende oorzaak.

Symptomen

De meeste dieren worden aangeboden omdat de eigenaar een zwelling (of zwellingen) heeft gevoeld: dit zijn dan vergrote lymfeklieren. Ze kunnen heel groot worden (soms zo groot als een sinaasappel). De meeste dieren hebben verder geen andere klachten, maar tot in 40% van de gevallen worden ook andere klachten zoals gewichtsverlies, futloosheid, koorts, hoesten of anorexie waargenomen.

Diagnose

Indien het vermoeden bestaat dat uw dier lymfeklierkanker heeft, raden wij af om op voorhand corticosteroïden toe te dienen: dit maskeert de symptomen en kan een definitieve diagnose heel sterk bemoeilijken! Om de diagnose te kunnen stellen, zal eerst een klinisch onderzoek plaatsvinden: hier zal meestal al een vermoedelijke diagnose gesteld worden. De diagnose zal bevestigd worden door weefselonderzoek: dit kan meestal door een punktie, maar soms is een bioptname (onder verdoving) nodig.

Verdere diagnostiek zal de behandeling niet veranderen, maar zal meer informatie opleveren ivm de gezondheidstoestand van uw dier, over de tumor zelf en over de prognose, zoals een bloed- en urineonderzoek, longfoto’s, echo van de buik.

Behandeling

Op dit moment is chemotherapie nog altijd de gouden standaard in de behandeling van multicentrisch lymfoma. Er zijn verschillende protocollen en tijdens een oriënterend gesprek met de dierenarts, zal met u alle voor- en nadelen en kosten besproken worden.

Prognose

Indien geen behandeling wordt ingesteld, is de gemiddelde overlevingstijd voor een hond met multicentrisch lymfoma 4-6 weken. Indien corticosteroïden worden gegeven 1-2 maanden. Met het chemoprotocol dat wij hanteren is de gemiddelde overlevingstijd 1 jaar en overleeft 25% 2 jaar. Dit zijn echter gemiddelden: er zijn een heleboel factoren die een rol spelen in de prognose!

Kat

Voorkomen

30-40% van alle tumoren bij de kat zijn een lymfoma. Bij katten kunnen 2 virussen verantwoordelijk zijn voor het ontwikkelen van lymfoma: FeLV en FIV. Ook is er een studie geweest dat sigarettenrook als risicofactor heeft geïdentificeerd voor het ontwikkelen van lymfoma.

Symptomen

Katten met aantasting van hun maagdarmstelsel door lymfeklierkanker kunnen aangeboden worden met volgende klachten: braken, diarree, anorexie, gewichtsverlies, moeite met ontlasten of persneiging en soms met koorts door een buikvliesontsteking als de tumor een darm perforeert.

Diagnose

De onderzoeken die meestal uitgevoerd worden zijn een echo van de buik: hier wordt (soms, maar niet altijd) een tumor gevonden. Om te bevestigen dat het om lymfeklierkanker gaat, zal weefselonderzoek moeten plaatsvinden: dit kan door middel van een punktie (indien dit veilig kan gebeuren), door een endoscopie (waarbij een camera via de mond wordt ingebracht) of via bioptname tijdens chirurgie. Indien lymfeklierkanker wordt bevestigd, zal altijd bloed genomen worden: enerzijds om de gezondheidstoestand het het dier in te schatten, maar ook om FeLV en FIV besmettingen uit te sluiten.

Behandeling

In uitgebreide vormen van lymfeklierkanker of bij betrokkenheid van de (meerdere) inwendige organen, wordt meestal chemotherapie voorgesteld. Enkel in bepaalde geselecteerde gevallen kan een operatie soelaas brengen.

Prognose

Zonder behandeling is de gemiddelde overlevingstijd 6-8 weken. Bij katten is het stadium van de ziekte, de aanwezigheid en ernst van bloedafwijkingen (bijv. nierfalen) en FeLV en FIV status belangrijk voor de prognose.
Met chemotherapie is de gemiddelde overlevingstijd voor een hooggradig gastrointestinaal lymfoma is 6-8 maanden en bij een laaggradige vorm 1-2 jaar.

Wie heeft zich in dit vakgebied verdiept?

Ruth Fortrie
Europees specialist
Cindy van Geffen
Europees specialist

Welke patiënten werden binnen dit vakgebied verzorgd?